Klik hier om terug te gaan naar het vorige deel

A a n t e k e n i n g e n
betreffende de Familie
W E E R T S deel 2a



Blz. 59


Komen wij thans weder tot het echtpaar Weerts - de Jongh, wonende op Marienberg. Uit de voorhanden zijnde gegevens krijgen wij de indruk van een gelukkig en gezellig gezin, waar steeds een pleizierige sfeer heerste en dat zich dan ook mocht verheugen in veelvuldig en langdurig bezoek van familieleden en vrienden: een logeerpartij van enkele weken was heel gewoon. Het echtpaar beoefende de schilder- en tekenkunst, zoals al blijkt uit het in mijn bezit zijnde schilderij van Cels uit 1818. Immerzeel schrijft in zijn "de Levens en Werken der Hollandsche en Vlaamsche Kunstschilders, Beeldhouwers, Graveurs en Bouwmeesters" 1842-, over hem "Mr Coenraad Alexander


Echtpaar Weerts de - Jongh C.Cels 1818 (olie op paneel); foto ontvangen van hr Scheurleer in 1986.

In 2007 dook dit schilderij (olie op doek) van dezelfde schilder en hetzelfde jaar op (Coll D). Gezien de veel mooiere weergave lijkt het erop dat dit het orgineel en de andere een geschilderde kopie is



Blz. 60

Weerts, geboren den 7 februari 1782 te Deventer, waar zijn vader A.J Weerts de burgemeesterlijke waardigheid bekleedt, beoefent tot zijne ontspanning op een verdienstelijke wijze de teeken- en schilderkunst, voornamelijk in het vak van het landschap, waarin hij in vroegere jaren onderwijs ontving van de Heeren W.van Leen van Delftshaven en Kaldenbacht te Zutphen. De Heer Weerts, Doctor in de beide Regten, woont als rentenier op den huize Mariënberg bij Arnhem, en bezit eene belangrijke verzameling van schilderijen en teekeningen van meest moderne meesters, waaronder zeldzame etsdrukken. In den laatsten tijd heeft ZED. zich ook toegelegd op het bijeenbrengen van een album, bestaande uit schilderijen van kleinen omvang door onze bekwaamste kunstenaars, welke mede een belangrijk geheel belooft te zullen opleveren. Het talrijk gezin van dezen ijverigen kunstliefhebber, uit niet minder dan zeven kinderen bestaande, deelt, de een meer dan de ander, in de beoefenende kunstliefde van deszelfs geachten vader ".
      Wat dit laatste betreft, kan ik getuigen dat mijn grootvader eveneens een verdienstelijk amateur was, en mijn nicht Dorothea van Andringa de Kempenaer - Von Weiler, een kleindochter van Coenraad Alexander Weerts, bepaald talent had. Van de hiervoor genoemde verzameling van schilderijen, tekeningen en etsen is niets bewaard gebleven: vermoedelijk is deze na zijn overlijden successievelijk verkocht. Wel bestaan er nog schilderijen en schetsboeken van zijn hand, die in het bezit zijn van mijn broeder en mij, van de mijne heb ik er enkele ten geschenke gegeven aan mijn beide zoons. De landschapsschilderijen zijn typisch in de romantische trant en als zodanig tegenwoordig zeer gezocht.
       Na zijn verhuizing naar den Haag in 1848, werd hij reeds op 1 december 1849 aangenomen als kunstlievend lid van het Schilderkundig Genootschap onder de zinspreuk "Pulchri Studio", gevestigd te 's Gravenhage. In mijn bezit is het daarvan afgegeven diploma, namens bestuurderen getekend door B(art) J,van Hove, President, en J.Bosboom, Secretaris. Immerzeel vermeldt dat tot het gezin 7 kinderen zouden behoren. Toen hij zijn boek uitgaf was dit ook juist, maar een zoontje was reeds op 8 jarige leeftijd overleden.
      Omtrent het dagelijks leven van het echtpaar Weerts - de Jongh worden wij incidenteel ingelicht door het "Journaal" van "Tante Lucie"„ Daaruit blijkt wel dat Mevrouw Weerts een wankele gezondheid had: op 20 augustus 1826 ging zij naar Scheveningen om de zeebaden te

 

C.A. Weerts door Jhr. P. van Loon 1837

Uit het schetsboek van C.A. Weerts. Kopie ontvangen van hr. Scheurleer.


Blz. 61

gaan gebruiken "voor de krampen".  Zij logeerde toen met haar dochter Lucie bij "Oom Gleichman" te 's Gravenhage gedurende vier weken.
      "Mama gebruikte alle dagen een bad en ik ben ook twee maal in zee geweest. Vervolgens kwam Papa ons afhalen en wij gingen nog een paar dagen naar Amsterdam". Deze "Oom" Gleichman was Johan George Gleichman, geboren te Rotterdam 15 april 1776, hij was in de eerste echt gehuwd met Maria Elizabeth van Oven, zuster van de eerste echtgenoot van Anna Maria de Jongh, dus geen echte 'oom" van Lucie. Hij overleed vrij kort daarna aan een beroerte, en wel op 1 oktober 1827.
     "Papa en Mama zijn in 1828 naar Ems geweest, dewijl Mama de baden moest gebruiken, zij zijn 5 weken weg geweest.
     "Heden 6 december 1828 heeft Mama weder zulk een sterke aanval van krampen gehad dat wij voor haar, ons zoo dierbaar leven, beducht waren. Doch nu is HEdl. als tevoren, n.l. redelijk.
     "3 augustus 1829 is Mama naar den Haag vertrokken om de zeebaden van Scheveningen te gebruiken. HEd. is zes weken uitgebleven. De baden hebben Mama een weinig geholpen."
     Op 14 oktober 1830 kwam aan dit lijden een einde: " Eerst om half 5 des middags ontsliep de dierbare moeder zachtkens....in den ouderdom van 48 jaren, waarvan zij 21 jaren in den gelukkigsten echt met Papa heeft doorgebragt...Ach, nu zijn wij moederloos en ik, die nog zoozeer haren wijzen raad behoef en morgen de 23 oktober pas 18 jaar word, moet nu haren plaats bekleeden en voor Papa en mijne 6 broeders en zusters zorgen. Moge de goede God mij hiertoe sterken ! ... Die lieve engel was door elkeen bemind en wordt hartelijk betreurd. 0, zjj was zoo lief, altijd in hetzelfde humeur, altijd vriendelijk en deelnemend voor iedereen, de engel des vredes voor de familie, altijd even werkzaam en ijverig en vooral opregt en van harte godsvrugtig."
      Deze zware taak heeft Lucie stellig met toewijding en wijsheid voortreffelijk volbracht.
Waar het stoffelijk overschot werd bijgezet, is mij niet met zekerheid bekend. Waarschijnlijk is het geweest " de algemene begraafplaats bij de " Rijnbarriers ", waar in 1826 ook de slachtoffers van de eerder vermelde ramp met de stoomboot op de Rijn werden begraven. Dit is dus de enkele jaren geleden geruimde begraafplaats bij de Coehoornstraat, bij welke gelegenheid een grafkelder werd blootgelegd met de opschriften "Mr.Joh.Weerts 1832", dus de burgemeester, en "Mr. C.A.Weerts 1830", waarin dus diens echtgenote werd begraven, evenals reeds eerder hun zoontje Coenraad Alexander, geboren 20 september 1819 en reeds overleden 8 mei 1828.

 



Blz. 62

      Het overlijden vond plaats in de roerige tijd, die zulke funeste gevolgen voor velen in ons vaderland heeft gehad, en die heeft geleid tot de afscheiding van België. " Papa heeft een huis in Amsterdam gehuurd om wanneer hier onlusten komen, daarheen te kunnen gaan. Arnold is naar 's Gravenhage vertrokken om daar een plaats te zoeken en anders gaat hij aan boord, want alle jonge lieden trekken uit om hun dierbaar vaderland te dienen! Och, was ik ook maar een jongen, hoe gaarne ging ik mede om voor vaderland en Koning te strijden ! "
      Bedoelde voorzorgsmaatregel bleek gelukkig overbodig te zijn: het gehele volk was blijkbaar zeer vaderlandslievend. In het Journaal schrijft Lucie op 3 september 1830: " Heden hebben Betty Sypkens en ik eenen naamloozen brief aan den Koning der Nederlanden Willem den I geschreven, om hem te smeken toch standvastig, te zijn en die oproerige Brabanders niet toe te geven. Het geheele Noord Nederland is als in vervoering en bied goed en bloed voor Vorst en Vaderland. Prins Frederik ligt met 25000.man voor Brussel. Onze dappere troepen hebben Brussel den 27 september 1830 stormenderhand ingenomen, doch hebben veel volk verloren door het verraderlijke gedrag der Brusselaren, die met steenen, vitriool en olie op hen gooide. Zij hebben bevel het tot het uiterste te drijven en de oproerige stad plat te schieten en in de asch te leggen."
       Gelukkig is het niet zover gekomen.
      " Den 1 augustus 1831 is een einde gemaakt aan de onderhandelingen met die valsche mogendheden. Onze dierbare Koning heeft tegen de laatste protocollen geprotesteerd en de muiters de oorlog verklaard. Onze Kroonprins, die een schoone proclamatie uitgevaardigd heeft, is tot opperbevelhebber benoemd. Zijn benoeming en het bevel tot strijden is door onze dappere landgenoten met gejuich ontvangen. Reeds hebben zij Turnhout en Hoogstraten ingenomen en een menigte gevangenen gemaakt. "
      Het heeft niets mogen helpen: tegen de overmacht van Belgen en de hun te hulp geschoten Fransen konden wij geen stand houden,
      Inmiddels werd Europa bedreigd door de cholera of "Aziatische buikloop", die ook in ons land heerste, en in 1833 Arnhem bezocht, alwaar 200 mensen aan die ziekte bezweken. " Wij moeten ons sterk menageeren" schrijft Lucie.
      In de daarop volgende jaren had het leven van de familie Weerts een betrekkelijk rustig verloop.
      Een opsomming van al de onroerende goederen, behorende tot de

 




Blz. 63

algehele gemeenschap van goederen waarin het echtpaar Weerts - de Jongh was gehuwd, treft men aan, zonder vermelding van waarde, in de successie-aangifte betreffende haar nalatenschap, welke berust in de "bunker Schaarsbergen",  filiaal van het Rijksarchief te Arnhem. Behalve " Marienberg " o.a. "met 2 daarbij gelegen Olywindmolens" behoorden daartoe "het huis met erven en pakhuis en tuinen aan de Oude Kraan te Arnhem, wijk G no. 82", drie huizen en erven gelegen nabij de voorschreven Olymolens, diverse tuintjes aldaar, "het erve en goed Papendal genaamd, gelegen in het Schependom van Arnhem, bestaande in een boerenhuis met schuur en schaapskooi, daglonerswoning en 180 morgen land", " een hof en goed Weertsbaan genaamd, gelegen onder Huissen en Angeren in het Ambt van Overbetuwe", bestaande in huis en schuur en +/- 70 bunders weideland, een weide gelegen in bet Arnhemsche Broek, de Boterweerd genaamd, groot +/- 3 bunder, en twee weilanden in het Veenendaalsche Broek, genaamd de Stoomkolk, groot +/- 12 bunder. In de kadastrale legger van Arnhem uit 1836, artikel 802, blijkt dat het bezit in Arnhem toen bestond uit +/- 120 percelen, ter totale oppervlakte van +/- 129 hectare. Een vergelijking met de gegevens uit de successieaangifte is bijzonder moeilijk omdat toen nog geen kadastrale nummers bestonden. De oorspronkelike aanwijzende tafel dateert van 20 oktober 1833. "De 7 february 1839 heeft onze beste Papa op Zed (57e) verjaardag zijn portret ten geschenke gegeven." schrijft Lucie in het Journaal. Dit is kennelijk het grote schilderij, vervaardigd door G.Buitendijk Kuyk te Arnhem, hetwelk nu in het hezit is van mijn zoon Coenraad Alexander Scheurleer.
       Aan zijn beide jongste kinderen, Erdwin en Dorothea, werden door den Hoogen Raad der Nederlanden op 30 november 1843 brieven van meerderjarigheid verleend, welke werden goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 6 december 1843 no. 79.
Zij maakten 4 augustus 1844 met hun Vader per stoomboot een reis naar Duitsland, die twee maanden duurde en waarbij zij o.a. München, Salzburg, Ischl, Wenen, Praag, Dresden, Cassel en Barmen bezochten.
      "De 14 mei 1845 heeft de opening der Rhijnspoorweg plaats gehad. Reeds vroegtijdig was ons huis opgevuld met menschen daar Marienberg door deszelfs ligging, vlak achter het station, het beste gezigt aanbood. Te half een kwam de trein, maar de Koning liet zich vergeefs wachten, hij was ongesteld geworden te Amsterdam, zodat de Prinsen alleen kwamen.  De 30 Mei 1845 zijn Papa, Dorothea en ik

 




Blz. 64

per spoor naar Amsterdam en Den Haag vertrokken, om in de laatste plaats de verzameling schilderijen te zien, dezelve was zeer mooi."
            "In de zomer van1846 zijn wij de feesten te Utrecht gaan bijjwonen" (N.B.dit betrof het lustrum van de Universiteit met een maskarade, waaraan ook zoon Erdwin deelnam. Hierover meer in zijn Dagboek, hetwelk bij zijn levensbeschrijving geciteerd zal worden) " Wij logeerden zeer aangenaam bij de familie Op ten Noort. Den 1en Juny vertrokken wij om de 13e Juny het huwelijk van mijn nicht Lucia de Jongh (1) met den Heer Julius Vitringa mede te vieren, waartoe wij de vriendelijke uitnoodiging ontvangen hadden. De 16e Juny was er een studenten concert in de Zoölogische Tuin, maar zelden heb ik zo'n foule bij elkander gezien (+/- 8000). Erdwin was commissaris. Woensdag 17 was de groote dag: de vertooning eener gecostumeerde optogt door de studenten, voorstellende de intogt van Philips II in 1549 in Utrecht. Dinsdag bragten wij verder op Zuylestein bij Cecile en Van Manen door, waar wij regt hartelijk ontvangen wierden."
"Het winter van 46 op 47 is wel het tegendeel van het vorige, want de koude schijnt niet te kunnen eindigen. De armoede is zeer groot te meer daar dit jaar de rogge zeer duur is. Doch er wordt veel in tegemoet gekomen door de commissarissen van werkzaamheid, welke zorgt dat de mannen 40 cts daags kunnen verdienen door houtzagen en graven, de vrouwen door naaijen, spinnen en breijen."
"24 maart 1847 zijn Annet Verstege en ik naar Deventer gaan logeren, zij bij haar tante Van der Wijck en ik bij Fanny van Marle. Van Marle heeft ons beeldige toeren doen rijden, ook naar Brinkgreve, hetwelk gebouwd is door Grootpapa Weerts en waar ik geboren ben." "2 mei 1847. De weit en tarwe zijn weder opgeslagen.  Er heerscht op vele plaatsen totaal gebrek en om de belasting te ontgaan, vertrekken ook uit ons land een menigte welgezeten menschen naar Amerika."
"De Hemelsche Berg is de 26 aug.1847 voor f 125.000,- verkocht aan den Heer Kneppelhout. Ik sukkel tegenwoordig veel met tiek douloureux en pijn in de rug, waarvoor de Heer Werneke mij de 22 oktober 6 koppen langs de ruggegraat heeft gezet, nadat een paar maal bloedzuigers niet hielp."
De genoemde slechte economische omstandigheden zijn de voedingsbodem geweest van de in geheel Europa opgetreden omwentelingen in 1848, welke voor ons land ook zulke rampzalige gevolgen heeft gehad en waarvan hierna, bij de beschrijving van het leven van de oudste zoon Arnold, uitvoerig zal worden verhaald. De financiële gevolgen waren voor de familie Weerts van dien aard dat zij niet

1) Lucia Maria de Jongh geb. 11 augustus 1820 te Rotterdam was een dochter van Daniel de Jongh, een oudere broer van Mevrouw Weerts - de Jongh, en Mary Smith. (HdB)


Blz. 65

meer op Marienberg kon blijven wonen. Pogingen werden in het werk gesteld om het te verhuren tegen een huurprijs van f 3.000,- per jaar, maar deze mislukten. Het Dagboek vermeldt hieromtrent het volgende:
       "Dinsdag 25 april 1848. Met den trein van half twee kwam de Heer Knobbelsdorf (=Baron Van Knobelsdorf). Hij is een uiterst beleefd mensch en zeer loijaal en kiesch in zijne bemerkingen. Ik liet hem 't gansche huis zien, waarmede hij ontzettend was ingenomen, prijzende de grootte en 't schoone uitzigt van alle vertrekken, de regelmatigheid der bouworde en de vele gemakken aan 't huis verbonden. Wij bezigtigden daarna den tuin, waarover hij zich niet veel uitliet, 't geen mij niet verwonderde, daar die met zijn landgoed Heimerstein nabij de Grebbe geenszins te vergelijken is, doch dit scheen hem ook minder van aanbelang. Toen wij weder waren teruggekeerd gaf hij de volgende bezwaren op: de prijs der huur in de tegenwoordige omstandigheden te hoog zijn. 2e bezwaar was dat hij nergens een plaatsing, voor zijne bloemen had, zijne kostbare verzameling uitheemsche gewassen moesten toch ook onder, en zijn 3e hoofdbezwaar was in den tuinman gelegen, hij had zelf 2 tuinbazen, hij zou dus slecht den onzen ook houden. Wij willen n.l. in 't huurcontract hebben dat onze goede trouwe baas Jan Lap, die gedurende 27 jaren bij Papa altijd eerlijk en met zèle diende, tuinbaas op Marienberg bleef.... Papa gaf hem natuurlijk geen stellig antwoord op zijne condities doch zeide hem nog eerst met zijne kinderen er over te moeten spreken, en hem dan voor den 15e Mei zijn besluit mede te deelen .... Men kan nagaan hoe treurig deze visite op ons gewerkt had: Papa vooral was den gantschen dag zenuwachtig." "Donderdag 1 Junij. Mijnheer en Mevrouw Knobbelsdorf kwamen heden middag thee drinken. Zij wilden nog eens gaarne 't geheele huis zien. Hoe ons dit weder griefde kan men ligt beseffen. Hij had gaarne gehad dat wij ons heden omtrent 't verhuur hadden gedecideerd, doch dit wilden wij niet doen te meer daar hij niet meer dan f 2.100,- huur wilde geven. Doch wij spraken af dat hij Zondag over 8 dagen stellig ons besluit zou vernemen, 't geen hij goed vond. De man was weder in alle opzigten zoo wel en meegaande, als men 't slechts kon wenschen.
       10 juni werd de huur beklonken.
        "Zaterdag 24. Heden avond ten 11 ure zijn Papa en Lucie en ik per laatsten stoomtrein uit den Haag geretourneerd. Dewijl het nu stellig bepaald was, dat wij 't geliefde Marienberg over eenigen

 




Blz. 66

tijd zouden verlaten en 't zelve reeds door ons aan Knobbelsdorf voor f 2.100,- 's jaars verhuurd was, dacht Papa dat 't nu goed was terstond naar een geschikt huis te den Haag om te zien .... Tegen half zeven kwamen wij in den Haag aan en lieten ons naar 't Keizershof brengen, een vrij goed logement. Lucie deed al spuwende haar entree de chambre. Ik kreeg een kamertje met binnenplaats en dakzigt, doch 't kon mij weinig verdrieten dewijl wij toch den meesten tijd uit zouden zijn. ... Ons doel was ook om geen al te slechte keuken en meidenkamer te krijgen, daar dit toch te onaangenaam voor zulke oude getrouwe menschen zoude zijn, als Betje en Doortje. Niets ging bij mij boven 't huisje in 't Noordeinde: primo deed de vrolijke stand veel bij mij af, secundo is 't huisje fideel te bewonen, 8 kamers, vrij goede keuken en kelder, aardigen tuin etc, De huurprijs was edoch vrij hoog, zijnde zonder eenige belasting f 950,-, maar wij zouden 't welligt voor minder kunnen krijgen daar het voor 2 jaren aan Quarles, 1e luitenant der dragonders, verhuurd is, doch deze hetzelve niet heeft kunnen betrekken daar zijne vroeger bepaalde garnizoensverandering uit Deventer naar den Haag door de woelingen in Europa geen plaats heeft gevonden en hij dus toch die 2 jaar huur betalen moet. Van dit huisje wilden wij derhalve werk maken, reden dus na den eten naar Loosduinen, alwaar zijne schoonmoeder Mevrouw Quarles op een groot buiten woont om er haar over te spreken en de praeferenties te vragen. Wij werden aller vriendelijkst, ontvangen, doch ongelukkig was juist een uurtje te voren Vaillant er insgelijks geweest, wien zij dus, niets afwetende van ons, de praeferentie gegeven had. Een paar zeer aardige spraakzame meisjes waren nog bij haar in huis. 't Was jammer dat wij weder onvoldaan naar Arnhem moesten terukeren, doch 't kon niet anders."
      "Donderdag 14 juli . Papa , die gisteren naar Deventer vertrokken was om in persoon den Heer Quarles van Ufford over 't huis in 't Noordeinde te spreken, kwam geheel ter neergeslagen terug, met de treurige tijding dat ook dit weder mis was, daar Quarles den dienst quitteert en zelf in den Haag wil gaan wonen."
      "Donderdag 3 augustus. Papa was vandaag in zak en assche om reden er verhaald werd dat de locomotieven van den spoorweg voortaan niet meer met coacks maar met Friesche turf zouden gestookt worden, als zijnde veel goedkoper. En werkelijk stond er heden den gantschen dag een met turf te koken; 't geen heinde en verre eenen ondraaglijken stank verspreidde, ons geheele huis was er mede vervuld. Nu spiegelde Papa zich reeds weder veel onaangennams voor den geest,



Blz. 67

o.a. dat Mariënberg veel minder waard was daarom, dat Knobbelsdorf van zijn huur af zou zien etc.
    "Woensdag 9. Papa, die eenige dagen geleden naar den Haag was vertrokken, ten einde weder naar huizen om te zien, kwam gisteren avond weder terug, doch weder ongedecideerd als de vorige keeren. Om nu maar eens een kloek besluit te nemen, zoo geloof ik, dat wij een van de nieuw gebouwde woningen van Z.M. den Koning in 't Willemspark zullen huren. 'T Is een allerliefst huis, netjes, geheel nieuw, de eenigste inconvenienten zijn vreeselijke koude of hitte, en vlak bij al die kazernen, doch daar moeten wij dan maar overheen stappen. De huur was eerst f 850,-, doch toen de Koning vernam dat 't voor Papa was, was hij zo vriendelijk van f 100,- af te slaan. Tot overmorgen hebben wij de praeferentie, gelukkig dat wij eene agitatie minder hebben !
   "Dinsdag 15. Zondagmorgen was ik naar den Haag gestoomd ten einde reeds 's avonds nog, ten minste Maandagochtend terstond werk te maken van mij te laten inschrijven bij den Hoogen Raad. Doch ziet, mijn geheele reis was tevergeefs, want sinds 1844 was dit bij een besluit verhinderd en werd men niet tot 't afleggen van den Eed en de inschrijving, toegelaten of men moest tegenwoordig eerst eene verklaring afleggen om in 't arrondissement 's Gravenhage zich met der woon te vestigen. Daar dit nu natuurlijk geenszins met mijn voornemen strookt, moest mijn reis helaas! als geheel te vergeefs aangemerkt worden. Ik had echter van Papa nog commissie om al de kamers in 't huis door ZEd, van den Koning op 't Willemspark gehuurd, eens op te meten en aan te teekenen, waarin ik door een zoon van ZMaj.  aannemer werd bijgestaan. 't Huis viel mjj zeer mede, wel een weinig koud of zonnig doch lang zoo afgelegen niet als ik eerst dacht ".
Enkele dagen daarna eindigt het Dagboek, zodat ik verdere gegevens aan het Journaal (van Tante Lucie) moet ontlenen. Zij schreef:
     " 26 oktober 1848 is voor mij de treurigste en onvergetelijkste dag geweest, dat ik ons geliefde Marienberg vaarwel heb moeten zeggen. Het kostte mij en ons allemaal innig veel, maar de goede God sterkt ons in de opgelegde beproevingen. Eerst vertrok ik naar Deventer, waar ik 2 dagen bij Fanny en Van Marle bleef, den 28. brachten zij mij naar Apeldoorn, waar Oom de Jongh mij liet halen, en ik 3 dagen regt gelukkig, op de lieve Molen doorbragt."
De verhuizing naar den Haag bracht nog enige moeilijkheden mede: de inboedel werd per schip vervoerd, maar "de familie moest 5 dagen in het logement blijven en de meiden 2, daar de schepen door het lage

 




Blz. 68

water later kwamen. "
          Deze manier van verhuizen was toen algemeen, want later schrijft zij "Dorothea en Weiler zijn de 2 maart (van 's Gravendeel) naar Middelburg vertrokken, zij gingen met hun geheelen inboedel op een beurtschip, troffen tegenwind, zoodat zij 3 dagen op reis waren en Dorothea veel last had van zeeziekte." Waarschijnlijk ging een deel van de reis dus over zee !
" 4 aug.1850 kwam de nieuwe meid Dientje, ter vervanging van Doortje, die ons gaat verlaten na 26 jaren dienst. Zij begon haar dienst hier als kindermeisje, wierd linnenmeid, kamenier, werkmeid, ja de laatste 3 weken keukenmeid" Voorwaar een merkwaardige promotie !
         In die tijd is "mijn lieve Papa 14 dagen ongesteld geweest, aan het slijmgraveel." 
Nadat in 1856 de huur van Van Knobbelsdorff geeindigd was, werd besloten tot publieke verkoop van Marienberg. Daar de inzet slechts f 44,000,- bedroeg en niet gemijnd werd, werd niet gegund. Het werd daarna voor f 44.500,- uit de hand verkocht: bij akte 2 juli 1856 verleden voor Notaris F.W.L. van Eck te Arnhem, overgeschreven ten hypotheekkantore te Arnhem 11 juli daarna in deel 299 no. 4, verkoopt Mr.Daniël Weerts, gemeente-ontvanger te Arnhem, als lasthebber van zijn vader Mr.C.A.Weerts, zonder beroep, te 's Hage:
"1. het buitengoed genaamd Marienberg aan den Amsterdamschen straatweg nabij het station, heerenhuis enz. koetshuis en paardenstal, tuin, tuinhuis, warmoezerij enz. .... groot ongeveer 2 bunder 66 roeden 68 ellen, met regten van uitzigt, daargesteld luidens akte 2 mei 1827 verleden voor Notaris Mr.G.van Eck, overgeschreven 12 mei d.a.v. in deel 66 no. 19, met onbelemmerd uitzigt over het terrein voor het huis gelegen tot aan de Emmausweg of Klaphek, toebehoorende aan de Heer en Mevrouw Van Heeckeren van Enghuizen, en
2. een stuk moesland met tuinmanswoning, kad. Sectie M no. 67 tot en met 72, groot 1.7.98 bunder."
als eigendomstitel is vermeld de hiervoor genoemde akte van scheiding dd. 16 oktober 1834, overgeschreven 20 oktober d.a.v. in deel 97 no. 27.
  Koper in eigen gebruik werd de Heer Johan Frederik van Hangest Baron d'Yvoy van Houten, rentenier te Arnhem. Daar de oppervlakte dus aanmerkelijk kleiner is dan die in vorige jaren, neem ik aan dat de overige gronden al eerder verkocht waren, gegevens daarover heb ik echter (nog) niet gevonden. Verdere bijzonderheden ontbreken.

 




Blz. 69

Mr.Coenraad Alexander Weerts overleed ten slotte te 's Gravenhage 20 augustus 1868, dus in de hoge ouderdom van 86 jaren. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de grafkelder op de, destijds nieuwe, begraafplaats "Onder de Linden" te Arnhem, welke door hem was aangekocht en waarin zijn stoffelijk overschot als eerste werd bijgezet. Deze grafkelder heb ik nog gekend, maar werd jaren geleden gesloopt toen de Gemeente deze begraafplaats ruimde. Hij bestond uit een hardstenen gebouwtje met, boven de ingang, de naam "Weerts" in hoofdletters, waar boven een tympaan met als zinnebeeld een slang die zijn eigen staart op eet. Is dit symbool wellicht ontleend aan de vrijmetselarij? Het geheel maakte op mij de indruk van een miniatuur Egyptische tempel. Er waren nog twee soortgelijke grafkelders op die begraafplaats, op de ene stond "Van Ranzow", de andere is mij ontschoten, maar was ook de naam van een Gelderse adellijke familie, misschien Van Pallandt.
     Uit alles blijkt dat de familie Weerts belijdend godsdienstig, was. De overledene was president-kerkvoogd van de Hervormde Kerk te Arnhem.
    Vermoedelijk woonde hij in het begin van zijn huwelijk te Zutphen, waar althans zijn oudste zoon werd geboren, en woonde hij later te Arnhem, waar hij zich in 1314 vestigde, eerst in het huis aan de Oude Kraan.


Thans volgt een beschrijving van de kinderen van het echtpaar Weerts - de Jongh.
1. De oudste zoon was Arnold Frans Weerts, geboren te Zutphen 13 december 1810. Het Familieboek vertelt omtrent hem het volgende:
"In 1830 is hij benoemd tot 2e luitenant bij de Mobiele Geldersche Schuttery doch wegens zwakke gezondheid heeft hij de dienst weder spoedig moeten verlaten en is op zijn verzoek bij besluit van den Gouverneur van Gelderland van  .... 183. ontslag verleend. Den 1 oktober 1837 heeft hij te Arnhem met D.O.van der Sluis een bankierskantoor opgerigt onder de firma "Van Weerts en Van der Sluis". Wegens geleden verliezen, voortspruitende uit de ongekende en buitengewone daling der fondsen, ten gevolge der Fransche omwenteling in February 1848 en daarbij komend verschil met zijnen compagnon heeft hij moeten likwideren. Daarop is hij den 8 mei 1848 vertrokken naar Hamburg, vandaar naar Antwerpen in 18. , eindelijk naar Keulen in 185.

 




Blz. 70

alwaar hij boekhouder is geworden bij een handelshuis. Hij overleed te Kleef den 15 augustus 1897 in den ouderdom van 86 jaren en is aldaar begraven."
Over het dramatisch gebeuren, hetwelk hier met enkele regels is verhaald, zijn wij omstandig ingelicht door het "Journaal" van zijn zuster Lucie en meer nog door het uitvoerige Dagboek van zijn broeder, mijn Grootvader. Eerst genoemde begint met de vermelding dat op 23 februari 1848 te Parijs een oproer is uitgebroken, Louis Philippe en zijn familie zijn gevlugt, het kasteel van Neuilly en Palais Royal zijn verbrand, barricaden opgeworpen. De golf van revolutie sloeg over naar ons land, als gevolg waarvan de beursen werden gesloten, en op 8 Maart 1848 het kantoor van Weerts en Van der Sluis zijn betalingen moest staken. Zien wij nu wat mijn grootvader daarover schreef:
   "Donderdag 24 february. In de nieuwsbladen stonden eenige verontrustende tijdingen omtrent Parijs, gelijk aan die van 't laatst der vorige eeuw. Men wil een reformistischen maaltijd houden, die 't Gouvernement niet wil laten doorgaan. Dit zijn tijdingen van den 22 en dezer. Wij willen wenschen dat alles nog rustig af zal loopen.
   Vrijdag 25. De tijdingen uit Parijs zijn allesbehalve geruststellend. 't Volk is tot muiterij overgeslagen. De allgemeene kreet is " Hervorming ! " Weg met Guizot! 't Vroegere Ministerie Guizot schijnt dan ook zijn ontslag ingediend te hebben en een nieuw benoemd te zijn. Nader nog niets bekend.
    Zaterdag 26. De tijdingen die Arnold heden avond omtrent Parijs mede bragt waren zeer verontrustend. Formele opstand heerschte overal. Er werd bloedig gevochten. De spoortreinen konden niet, afgaan daar 't volk op verschillende plaatsen de rails opbrak. De nationale garde, waar 't gouvernement op gerekend had, verklaarde zich meerendeels ook voor eene hervorming. In een woord alles was in volslagen oproer. De fondsen waren zeer gedaald.
     Zondag 27..... De berigten, die Arnold ons uit Parijs mede bragt, waren ontzettend. Ten 4 ure kwam hij bleek binnen en vertelde dat hij tijding uit Amsterdam had ontvangen omtrent Parijs, de ergste die men bedenken kan. 't Volk heeft de Tuileriën bestormd, Louis Philippe was ter nauwernood met zijne familie ontkomen. Ze zijn uit Frankrljk gevlugt. Het Paleis Royal is afgebrand.5000 man municipale garde die hetzelve had willen verdeedigen moeten compleet gemassacreerd zijn. Guizot gevangen genomen, de Republiek uitgeroepen met 8 personen aan 't hoofd, waaronder Lamartinne, de bekende schrijver de 'l Histoire des Girondins, en een gewoon

 




Blz. 71

arbeider, Albert genaamd. Wie had kunnen denken dat de zaak zulk een gang zoude nemen, dat die goede Koning, waar dat wispelturige volk zooveel aan heeft te danken, zoo slecht zou behandeld worden. Ieder heeft dan ook diep medelijden met dien grijzen vorst en zijn familie..... Ten 9 kwam Arnold ook weder in ons midden, doch veel opgeruimder daar hij ons de betere boodschap bracht dat generaal de la Moricière met 40.000 man Parijs was binnengerukt, vreeselijk onder de oproerlingen had huisgehouden en het voorlopige bewind had overgenomen. Louis Philippe II was tot koning, uitgeroepen onder voogdijschap van de Hertogin, van Orleans.
        Dinsdag 29. De laatste tijding uit Parijs was weder dat de formele republiek gecreërd was, de Bourbons wegejaagd, de generaal de la Moricière wqs tot opperbevelhebber van de Republiek benoemd. Men verlangt zeer naar geloofwaardige tijdingen.
       13 Maart. De eerste dagen dezer maand zijn vol treurigheid en angst voor ons voorbij gegaan. Door de verderfelijke Fransche omwenteling waren alle effecten zoodanig gedrukt dat ze op ongehoord lagen prijs kwam te staan, waardoor helaas! vele kantoren sprongen of hunne betalingen moesten schorsen, in Amsterdam alleen bedroeg dat getal 42, waaronder sommigen van 12 ton. Welk een sensatie zulks overal gaf, kan men ligtelijk nagaan. Dat dit ook allernadeeligst op de kantoren in de verschillende Provincien gewerkt heeft, hebben wij ook helaas ! moeten ondervinden. Onze goede, oudste broeder Arnold, die hier in Arnhem een kassierskantoor met eenen Heer v.d.Sluis had, heeft ook zijne betalingen moeten schorsen, wij dachten nog hem door groote opofferingen van onzen kant staande te kunnen houden, doch 't is niet kunnen gelukken. Wij waren allen in eene vreeselijke droefheid, vooral Papa voor wien het een harde slag op zijnen ouden dag was. Wij verloren allen ons hoofd en denkende dat Arnold in eens door zijne crediteuren gepakt zoude worden, moest hij zoo spoedig mogelijk naar ons inzien vlugten, doch hij had helaas! geen pas, en het was ondoenlijk over de grenzen te komen in de tegenwoordige penible tijdsomstandigheden. Hier in Arnhem was natuurlijk geen denken aan om een pas te krijgen, 't eenige was dus dat wij stil naar den Haag, stoomden om te zien of welligt Neef Verstege er ons een zou kunnen bezorgen, doch ook hij zag volstrekt geen kans. Gelukkig, dat ik Arnold vergezelde en doordien ik natuurlijk wat bedaarder was, raadde ik aan om naar Utrecht te gaan ten einde raad bij onzen

 


 


Blz. 72a

goeden neef en vriend Van Hoytema in te winnen anders ware Arnold zeker in een radelooze bui met een visscherspink naar Engeland overgestoken. Nimmer zal ik vergeten hoe het afscheid was toen onze goede broeder 's ochtens vroeg hier vandaan vertrok allen waren wij radeloos, wij dachten immers om hem welligt nimmer weer te zien, hij zou burgerlijk dood voor ons zijn! Hoytema ontving ons allerhartelijkst, vroeg Arnold terstond bij zich te logeeren en bezorgde hem bij geluk een pas, zoodat dit reeds zeer geruststellend was...
     Tot dusverre was er nog niemand der crediteuren die niet liever eene minnelilke schikking had dan een faillietverklaring, daar Papa en wij overige broeders en zusters verklaard hadden de firma Weerts en v.d.Sluis in `t betalen van percenten eenigsints te zullen bijspringen. Het was dus ook in 't voordeel van een ieder de zaak zoo schilkkelijk moogelijk: te laten afloopen... Hedenmorgen bestelden wij een rijtuig. Dewijl 't niet aangenaam was voor Arnold om de stoomwagen als middel van vervoer te gebruiken, dewijl hij daar dadelijk welligt kennissen op zou kunnen aantreffen, en ten 12 ure reden wij Utrecht uit, na een hartelijk afscheid van Mary en Hoytema genomen te hebben, die ons zoo gastvrij hadden ontvangen... Wij lieten ons bij de Veye afzetten opdat onze koetsier zelfs niet zou kunnen weten waar wij thuis behoorden. ... In Frankrijk blijft de Republiek stand houden. In 't overige Europa begint alles ook oproeriger te worden, alle staten verlanggen eene constitutie en Vrijheid van Drukpers etc, alle Vorsten stemmen in de regtmatige wenschen hunner onderdanen meer of min toe, zelfs het despotieke Oostenrijk is niet achterwege gebleven, de meeste fondsen gaan daardoor weder eenigsints aan het rijsen, zoodat wij goddank betere tijden te wachten hebben, doch die helaas voor ons toch nimmer meer zoo goed kunnen worden als ze waren, want zoo wij Arnold zullen helpen, gaat er een groot gedeelte van ons fortuin verloren, zoodat wij een geheel andere levenswijze moeten invoeren. Misschien wel ons vaderland voor een goedkooper werelddeel zullen moeten verwisselen. Papa doet dezer dagen overal moeite om aan klinkende munt te komen, vooral in Amsterdam, doch een ieder blijft op het zijne zitten, hoewel ieder weet dat wij genoeg onbezwaarde panden tot waarborg kunnen stellen.
    25 Maart. Bijna 14 dagen zijn verloopen sints ik voor het laatst aan dit journaal schreef. Veel angst en ongerustheid




Blz. 72b

hebben wij in die dagen uitgestaan. Papa die zich in den beginne vrij wel hield, is nu vreeselijk zenuwachtig en ziet alles aller wanhopigst in. Wij doen al het mogelijke om ZEd, te kalmeren, doch 't baat niet veel, vooral tegen aankomst van den laatsten avondtrein waarmede de beurstijdingen aankomen, is het altijd het ergste. Gedurende deze dagen heeft Oom Meurs hier gelogeerd: de vergadering der Staten was n.l. opgeroepen ten einde een lid voor het Hof van Gelderland te kiezen, Neef Schepper, thans President van de Regtbank, is als eerste op de lijst der Candidaten gekomen. Het verblijf van Oom gaf ons veel afleiding, Zed. sprak Papa en ons veel troost in,  jammer dat hij maar zoo kort kon blijven, dewijl Tante op Hulsthorst ook niet regt wel was. Oom beloofde nog aan papa zoo spoedig mogelijk f 5.000,- te sturen, waarmede Oom Van der Aa konde afbetaald worden, als hebbende deze die som verleden week aan Papa geleend, en ze nu op een onvriendelijke manier terugvordert. Over het algemeen is zijn handelswijze zóó geweest dat wij hem den naam van Oom niet meer willen geven, Papa wilde hem zelfs het huis ontzeggen... 't Zal over een paar maanden wel zoo ver zijn dat wij hier vandaan gaan, en God weet waarheen....
      Zondag 26.  De staat der boedel viel ons razend tegen, wij waren ervan verplet toen wij hoorden dat er slechts 19% van teregt zou komen, zijnde helaas al de effecten tot den laagst mogelijken prijs bijna verkocht moeten worden. Wij berekenden dat Papa nu reeds aan Arnold kwijt zou zijn, zonder nog iets aan de firma gegeven te hebben, de enorme som van f 80.000,- Schiff verklaarde ronduit indien er geen 50% kwam van de firma van Arnold en v.d.Sluis, dat dan stellig de crediteuren een faillietverklaring zouden vorderen. Willen wij dit verhinderen, dan moeten wij nog f 62.000,- bijpassen! Na lang praten en overwegen kregen wij Papa er toe om in Godsnaam ook door die som op te offeren, maar ook meer niet, en ook nog alleen maar in geval al de crediteuren met 50% genoegen nemen en geen faillietverklaring vorderden, zoodat Papa door elkaar gerekend f 150..000,- met dit ongelukkige geval van Arnold verliest, gelukkig dat er nog zooveel over blijft om hier of daar nog, fatsoenlijk doch bekrompen te kunnen leven, want ons geliefde Marienberg helaas! moeten wij verlaten en verhuren. Papa wilde 't eerst verkoopen, doch dit hebben wij ZEd. ten stelligste affgeraden...Gelukkig dat de fondsen een weinig tot staan komen, hoewel de Russen nog steeds dalende zijn. De oude Russen

 


 


Blz. 73

stonden voor de Fransche revolutie 105 en nu 85, dus een verlies van 20 percent en dat in 14 dagen tjjds, bijna onbegrijpelijk.
   Maandag 27. Papa, die ijsselijk bang is voor plunderen etc. is, hoewel er volstrekt geen idee van is naar mijn mening,  nam hedenmorgen de kostbaarste schilderijt jes uit 't album en verborg ze boven op de kast in de Provisiekamer. Ik hoop dat de Heer ons voor brand behoedt, want dan zijn ze stellig verloren! Nog kregen wij een blijde tijding dat namelijk de Notaris Louwerse uit Amsterdam ons f 30.000,- contanten had bezorgd tegen 5% met hypotheek op onze boerenplaats Dijkenest en de Doornekolken en 't huis aan de Kraan, hetgeen ons meeviel, daar wij vreesden dat zij Mariënberg ook nog in de hypotheek zouden opnemen en wij dit dus voor een andere kunnen bewaren.
     Donderdag 30...Ursula en Schepper kwamen nog laat in den avond wat praten, zij waren zeer hartelijk en hoewel zij ook veel bij Arnold te kort komen, hebben zij Paps toch aangeraden niet al te veel bij te springen om zich zelven en de andere kinderen niet ongelukkig te maken. Lucie kreeg nog, een allerhartelijksten brief van v. Marle, die o.a. beloofde tegen 't begin van April Paps f 1.000,- te zullen ter leen sturen, alle kleintjes helpen. Zaterdag 1 april. Heden morgen zijn wij vroeg bij de hand geweest, want Papa en Daan zijn met den eersten spoortrein naar Amsterdam vertrokken ten einde de f 30.000.- in ontvangst te nemen bij den Notaris Louwerse, waarvan vroeger vermeld en daarmede de o.a. 20 Russen in te lossen die Verstege aan ons voor Arnold geleend had.
     Zondag 2.  Met den laatsten trein kwam Papa onverwachts uit Amsterdam terug. In Papa's absentie was er een briefje van Oom v.d.Aa gekomen, 't geen nu geopend werd en van zulk een lagen, gemeenen aard was dat wij nu toch de publieke opinie van alle menschen ook de onze moeten maken, dat v.d.Aa een door en door laag gemeen être is...
     Zaterdag 8. Door middel van den Notaris Van Eck, een goed en waardig vriend van Papa, heeft ZEd. nog een hypotheek van f 50.000,- op Marienberg en Weertsburg of Panhuis, zoodat wij nu met klinkende munt gereed zijn.....
   Dinsdag 11.  Wij waren ontzaggelijk verwonderd toen wij ten 11 ure in eens v.d.Aa zagen aankomen. Doch wij besloten hem niet onvriendelijk te ontvangen. Hij was bleek en mager en 't frappeerde ons zoo vreeselijk debiel hij scheen te zijn....

 




Blz. 74

    Vrijdag 14.  Om 11 uur kwam Daan de Jongh (1) mij afhalen en trokken wij de stoute schoenen aan om naar de Hemelschen Berg te wandelen. Van der Aa zelf was niet thuis... Hij is nu stapelgek. Jeanne en Anna, die alleen te huis waren en ons allerliefst ontvingen, verhaalden ons een menigte gekke streken van hem, o.a. wil hij nu gaan trouwen met de dochter van een zilversmidsknecht uit Zwolle.... De kinderen hebben terstond naar de ouders van het meis,je geschreven om hun af te raden hunne dochter te laten gaan, daar v.d.Aa stapelgek was. Dit schijnt hij nu gemerkt te hebben en hij zal vannacht ten 5 ure met extrapost naar Zwolle vertrekken, wat daarvan zal worden, weet de hemel !
      Zaterdag 6 mei. Wij begonnen er heden zeer sterk op bedacht te zijn om de beste manier te bedenken waarop Arnold 't veiligst zou kunnen wegkomen en buiten 't bereik der crediteuren te geraken, want wij bemerkten wel, dat er eenige kwaadwilligen onder schuilden, die zich niet zouden ontzien onzen goeden broeder te laten pakken en hem failliet te laten verklaren. Allerlei plannen werden geopperd en geen werd veilig genoeg geacht, toen wij in eens neef en nicht Mispelblom Beijer zagen aankomen, en 't was alsof ze van den hemel gestuurd waren, want die proponeerden ons terstond A. bij hen te brengen en wel morgen avond, dan kon hij daar den uitslag van Maandag afwachten. Wij namen het in dank aan....
     Zondag 7. Volgens de eerste afspraak zouden Papa en Lucie Arnold naar Dalstein hebben gebragt bij de Mispelblom's, doch dit vonden wij bij nader inzien niet voorzigtig, daar 't dan ligt door den koetsier kan worden rond gebazuind, dat A. zich daar bevondt. Wij namen dan nu het besluit dat A. en ik dezen middag te voet dien weg zouden afleggen, dan kon niemand ons spoor nagaan, want wij zouden een geheelen omweg over Beeckhuijzen, Roosendael etc. doen. Ten 2 ure namen wij onzen treurigen togt aan. Hoe bitter bedroefd wij allen waren, kan men zich voorstellen. Voor altijd ging hij van ons weg, hij stierf eenen burgerlijken dood voor ons...Lucie ging nog tot aan den Hommel met ons mede, en wij sloegen verder den weg in naar Roosendael, Beeckhuijzen, etc. en kwamen gelukkig en zonder door iemand hoegenaamd gezien te zijn, behouden ten 5 1/2 ure te Dalstein aan, alwaar wij hartelijk ontvangen werden. Ik rustte een half uurtje uit, en na nog een bitter bedroefd afscheid genomen te hebben, vertrok ik weder doch nu langs den straatweg, hopende dat mij nog een diligence

 

1) Waarschijnlijk neef Daniël de Jongh geb. 10-6-1817 te Rotterdam, zoon van het echtpaar de Jongh-Smith.


Blz. 75

achterop zou rijden. Doch te vergeefs.  Ik moest toen maar verder voort wandelen....Ten negen ure was ik weder te huis, alwaar men bezig was om Arnolds koffers en valiezen op een veilige manier weg te krijgen. Door het raam der zaal werden ze aan onzen goeden trouwen tuinman aangereikt, terwijl de Veije met zijnen broeder, den kolonel, medegingen. Vervolgens gingen ze achteruit langs den Klapschen weg, en deden voorkomen alsof de kolonel een reiziger was en dit zijne bagage was, welke zij naar het huis van de Veije bragten, zijnde Miet je en de Veije van plan om morgenochtend ten 8 ure naar Dalstein te rijden, ten einde A. nog eens vaarwel te zeggen en hem tevens zijne goederen mede te brengen..
      Maandag 8. Ten 2 ure moesten wij van Daan vernemen dat het accoord niet door zou gaan, daar nog eenige crediteuren bepaald weigerden te teekenen, zoodat de teerling geworpen was en 't failliet in Godsnaam geprovoceerd moest worden. Gelukkig nu maar dat de goede Arnold gisteren vertrokken was.... Neef Mispelblom raadde A. sterk aan terstond te vertrekken, 't geen ook in dier voege gebeurde dat de Veije met A. tot Terborg meeging, als wanneer onze medelijdenswaardijge broeder verder door zou gaan over Anholt, Münster en per spoor door naar Hamburg. Zoo was hij dan gelukkig, zonder door een crediteur gemerkt te worden, uit zijn Vaderland gekomen. God geve, niet voor immer!
      Dinsdag 9. Reeds tevoren hadden Arnold en v.d.Sluis een acte gereed gemaakt om, indien 't noodig was, zich zelve failliet te laten verklaren vóór dat een der crediteuren zulks van de Regtbank vorderde, zijnde hierin voor hen een groot voordeel gelegen, dewijl er dan minder kans was dat tegen hen een vordering tot prise de corps of gijseling werd ingesteld. Ten 9, ure heden morgen werd hunne faillietverklaring ter Griffie ingediend.....
     Zaterdag 13. Gedurenden zijne absentie was de goede Wlillem Hoytema nog eens naar Marienberg over komen stoomen ten einde mondeling eens met Papa te raadplegen over een voorstel door Schiff gedaan: of wij n.l. genegen waren tot 't proponeren van een concordaat, en trouwens nog op dezelfde vroegere voorwaarden, de pretensie n.l. van f 20.000,- op 't kantoor laten vallen en daarenboven nog  f 50.000,- te schenken. Na lang delibereren is er besloten er toe over te gaan, de voordeelen er aan verbonden waren te groot en voor ons en voor den goeden A. Vooreerst toch kon hij weder in 't land komen, daar hij gerehabiliteerd wordt, secundo zou er geen prise de corps gevorderd worden, en tertio

 




Blz. 76

zouden wij niet behoeven te vreezen dat de crediteiten als roofvogels naderhand eens bij onverhoopt overlijden van Paps ('t geen God nog lang verhoede!!) op de nog onverdeelde erfenis zouden vallen. Nu hebben wij dan toch wel den crediteuren de maat ten boorde vol gemeten ! " 

2. Het tweede kind van het echtpaar Weerts - de Jongh was Lucia Maria Weerts, geboren op het grootouderlijke landgoed Brinkgreve te Kolmschate bij Deventer op 23 oktober 1812. Na het overlijden van haar vader woonde zij, die altijd ongehuwd is gebleven, te Arnhem op de "stille hoek" van het Velperplein, waar nu het warenhuis van Vroom en Dreesman staat, en waar zij de 22 maart 1902 is overleden.
           Wij hebben haar reeds leren kennen uit de talrijke aanhalingen uit haar Journaal, waaruit blijkt dat zij een vrome vrouw was met een sterk plichtsgevoel met betrekking tot haar taak als opvoedster van haar broertjes en zusjes na het overlijden van hun moeder. Op 5 oktober 1829 schreef zij in haar Journaal: "Heden is een der gedenkwaardigste dagen van mijn leven geweest. Ik heb n.l. mijn belijdenisse gedaan. Den 11en ben ik aan het Heilig Avondmaal geweest. Mogt de indruk welke ik toen gevoelde, duurzaam blijven, en dus op het einde mijns levens de zaligheid te beërven, door Jezus voor ons verkregen." Van haar vaderlandsliefde en vurige Koningsgezindheid is al eerder gebleken.
Op latere leeftijd begon zij blijkhaar aan allerlei kwalen te sukkelen, althans in oktober 1847 schreef zij in haar journaal: "Ik sukkel tegenwoordig veel met tiek douloureux en pijn in de rug, waarvoor de Heer Werneke mij de 22 oktober 6 koppen langs de ruggegraat heeft gezet, nadat een paar maal bloedzuigers niet hielp. Ik heb dus mijn 35e verjaardag half ziek doorgebract." Niettemin is zij bijna 90 jaar geworden!
    Ter gelegenheid van het huwelijk van haar jongste zuster Dorothea met Jhr Arnold von Weiler schreef zij op 9 september 1848: "Mij gaat het vertrek mijner jongste zuster zeer ter harte; sedert haar 6e jaar is zij onder mijn zorg en toezigt geweest en ik heb mij dus met hart en ziel aan haar opvoeding en opleiding toegewijd."
     In augustus 1850 schreef zij: "Ik ben dezer dagen weder zeer zenuwachtig, en de zeebaden maken mij zeer slap." Twee jaar later heet het: " 17 juli ben ik weer de zeebaden begonnen, met Gertrud Wichers, Mevrouw Gleichman en de freules Rappard."




Blz. 77

Zoals al eerder vermeld, verzorgde zij het huishouden van haar oude vader tot diens overlijden in 1868. Haar Journaal gaat echter niet verder dan het jaar 1857 en eindigt met het volgende: "16, 17 en 18 juni 1857 zijn hier de feesten geweest ter 25 jarige herinnering aan de belegering van de Citadel. De 16e lijkrede en treurmuzijk bij het graf van het Garnizoen, en Gala Comedie. De 17e groote parade waarbj de Koning commandeerde en de Prins van Oranje met een aanspraak de medaille van Chassé aan het vaandel van het 7e bat. infanterie hechtte. Des avonds illuminatie en groot vuurwerk, waar men ook de citadel zag bombardeeren. De 18e muzijk des morgens te Scheveningen en des avonds met de leden van het Metalen Kruis in de Societeit de Vereniging. Wij zagen dit alles met Besier." 

3. Het derde kind van het echtpaar Weerts - de Jongh was Daniël Weerts geboren te Arnhem 1 december 1814. Van hem vermeldt het Familieboek het volgende:
"In 1832 student geworden te Deventer. De 1 augustus 1837 als surnumeroir aangesteld bij de Secretary der Stad Arnhem bij besluit van Burgemeester en Wethouders van 29 july 1837 no.870, 1 February 1839 te Utrecht bevorderd tot Doctor in de beide Regten. 27 February 1839 ingeschreven en  beëdigd als advocaat bij het Provinciaal Geregtshof van Gelderland. In 1851 bij de invoering der nieuwe gemeentewet voorgedragen als Secretaris op een dubbeltal met den plaatsbekleecter, die opnieuw gekozen werd. Den 17 Mei 1853 is hij benoemd tot gemeente-ontvanger van Arnhem, beëedigt den 28 Mei en in functie getreden 31 Mei, ontslag aangevraagd den 11 Mei 1892, op meest eervolle wijze ontslag verleend,  Raadsbesluit 20 Mei 1892 en in de Raadszitting van 1 Oktober bekroond met een dubbel stel medailles, 1 in goud en 1 in zilver. Hij was lid van verschillende weldadige instellingen in zijne geboortestad, bij de meeste van welke hij als secretaris fungeerde, en later voorzitter van het bestuur der inrigting tot uitdeeling van warme spijzen, thesaurier van het burgerlijk armbestuur, Directeursecretaris van het Teeken- en Bouwkundig Genootschap Kunstoefening te Arnhem, Diaken en later in 1857 ouderling bij de Waalsche Gemeente, in welke laatste betrekking, hij gecommitteerd werd tot aankoop en verbouwing van het Kerkgebouw van het Sinte Catharina Gasthuis en het opnemen der benoodigde gelden. Den 13 Maart 1865 Secretaris der Districts Commissie voor het fonds der gewapende dienst, Regent van het Burgerweeshuis 1865.

 




Blz. 78

Hij huwde te Middelburg 12 Mei 1857 met Jonkvrouwe Clementine Elizabeth Cecilia Schorer, sedert 1869 ambachtsvrouwe van St.Philipsland, geboren aldaar 11 December 1826, dochter van Jonkheer Mr.Jacob Guillaume Schorer en Jonkvrouwe Cornelia Digna de Jonge. Hij overleed te Arnhem 7 Januari 1894. Zij overleed te Velsen den 21 September 1898. Uit dit huwelijk zij geboren twee kinderen die hierna zullen worden vermeldt.  Deze Daniël Weerts is de schrijver van het uitgebreide Familieboek, hetwelk later is bijgehouden door zijn zoon.
   Aan het Journaal, Dagboek en brieven kan ik de volgende bijzonderheden ontlenen:
Daniël Weerts werd op 30 september 1834 te Utrecht als juridisch student ingeschreven met de vermelding "Ex Athenae Daventriensis huc venit", op 31 januari 1839 werd hij aldaar opnieuw ingeschreven met de aantekening: " Huc redit summos honores consequendi causa ", waarna hij daags daarna cum laude promoveerde bij Prof. Birnbaum op het proefschrift " De transactione ". Volgens het Journaal is hij daarop naar de audientie bij den Koning geweest.
     Evenals zijn jongere broeder Erdwin werd hij, zolang hij niet getrouwd was, herhaaldelijk bij allerlei families te dineren gevraagd, zoals blijkt uit het dagboek van laatstgenoemde. Het door hem nagelaten "Memoriaal", door hem als student te Utrecht begonnen 18 september 1834, loopt tot einde 1856. Het is in keurig handschrift geschreven en blijkbaar nauwkeurig, tot in halve centen, bijgehouden. Niet alleen de uitgaven, maar ook de ontvangsten zijn geboekt. Aanvankelijk bestaan deze laatste alleen uit een toelage van zijn vader ad f 500,- per jaar, aangevuld met talrijke extra bedragen, uit enkele coupons en ongerelgelde posten, zoals "oude kleeren aan eenen jood verkocht f 23,-", "aan Van Lijnden, 6 flesschen genever overgedragen f 4,50". Bovendien komen herhaaldelijk postjes voor betreffende winsten of verliezen met allerlei kaartspelen zowel bij families aan huis als op de societeit. Die spelen zijn piketten, jassen, ombren, bluffen, commerce, whist, ecarteren e.d.
Op 19 september 1834 reist hij naar Utrecht om daar te gaan studeren, de reis van Arnhem per diligence kost f 3,80. Voor het inschrijven bij Prof. Royaards moet hij f 4,- betalen, voor de bul der studenten senaat f 7,-. lidmaatschap van de Societeit kost  f 12,-,  een oppasser kost f 2,- per maand, eten bij de kok 50 cts per dag, contributie bij het studentenconcert f 12,-.

 




Blz. 79

Zijn muzikale belangstelling blijkt uit het nemen van lessen op de bas en de violencello a f1,- per keer. Een belangrijke post was natuurlijk de kamerhuur a f 20,- per maand. Merkwaardig is de stedelijke belasting voor wijn ad f 1,60. De diligence van Utrecht naar Arnhem f 3,50, in omgekeerde richting f 4,10 ! Aan kosten van kleding vind ik vermeld: "zijden das f 2,25, vilten hoed f 9,-, handschoenen f` 2,-, paardeharen das f 1,80, zwart zijden handschoenen f 1,50; voor de masquerade werd een paard gehuurd voor f 14,-, , 20 rijjlessen van de piqueur kostten f 30.-.
        Twee jaar college in het Jus Naturae kostten  f 30,-, 3 jaar, idem in de Instituten en de Pandecten  f`60,-, , idem in de Historia Politica en de statistiek nog een f 60,--. Aan Prof. de Brueys werd betaald voor 2 jaar Encyclopedie, Oeconomie en Code f 90,-,  Aan Prof Birnbaum voor 2 jaar Jus.Crim. en Jus Gent. f 60,- . Aan Prof.Holtius voor 3 jaar Historia Juris f 30,-.
       Voor betaling van belasting voor het Cand.-Examen was f 12,50 schuldig, aan examenmeld en fooi aan de pedellen werd betaald f 56,50 Eén jaar repeteren van de Instituten kostte f 100,-, .
Bij Wijnand Focking werd tijdens een verblijf in Amsterdam betaald voor 1/2 anker jenever en 2 fl.marasquin f 17,50, van deze jenever was aan stedelijke belasting schuldig f 3,30. Contributie van de Studenten societeit was f 7,50; voor kamerverwarming werd f 3,50 betaald voor 200 turven en 200 blokjes, bovendien voor steenkolen f 10,85. Betrekkelijk hoge bedragen werden betaald aan kleermakers terwijl het opvallend is zo dikwijls een of meer dassen werden gekocht. Vermoedelijk was hij min of meer een dandy ! Op 20 decemher 1837 werd f 75,- betaald voor het doctoraal examen en fooi aan de pedellen. De belasting op het examen was nog eens f 25,-, het repeteren voor dit examen had f 110,- gekost. Na dit examen laat hij op Oudejaarsdag visitekaartjes drukken voor f 4,- en, nu zich weer Arnhem vestigende, betaalt hij op Nieuwjaarsdag een fooi in de Groote Sociteit van 50 cts. Nu hij blijkbaar een gewenste "partij" is, wordt hij veelvuldig uit dineren gevraagd hetgeen hem telkens fooien aan knechts of meiden koste. Achtereenvolgens zien we hem bij de families Böthlingh, van Nagell, IJssel de Schepper, Roukens, Van Rappard, Van Zuylen van Nievelt, Van Ranzow, Van Wassenaar, Van der Aa,  Bijleveld, Van Riemsdijk, Nairac, Van Eck, Op ten Noort, Bouricius, des Tombe, Everts,Van de Spiegel e.a.

 




Blz. 80

Van de promotie op 31 januari 1839 vvorden alleen de kosten vermeld ad f 60,-, verhoogd met belasting, voor het land ad f 10.-, de pedel kreeg later bij het overhandigen van de bul een fooi van f 5,-. Kort daarna werden weer 100 nieuwe visitekaartjes gelithographeerd voor f 2,-. In Maart werd voor inschrijving, als advocaat betaald f 17,50. De bode die de expeditie aan huis bracht kreeg een fooi van f 2,-.
       In augustus 1839 veroorlooft hij zich zijn eerste buitenlandse reis: met de stoomboot naar Rotterdam, vandaar naar Vlissingen, vandaar per rijtuig naar Zeeuws Vlaanderen, Brugge en verder per stoomwagen naar Gent, Brussel enz., Spa, Aken, per diligence naar Keulen, en verder per boot naar Mainz, en langzamerhand terug naar Arnhem, waar hij op 28 september aankomt, na ongeveer 6 weken op reis te zijn geweest.
      Het nieuwe jaar 1840 begint weer met fooien, aan de dienders van het Hof, den knecht in de societeit, de bodens van het Hof, de tamboers der Schutterij, de cipiers der gevangenis en de schoonmaaksters op het stadhuis Voorts bij den Gouverneur waar hij natuurlijk op de nieuwjaarsreceptie kwam. En ook aan den portier bij de St.Janspoort.
       De eerste maal dat "tractement" werd ontvangen, is in maart 1842, en wel f 300,- over het gehele jaar 1841. Veel is het niet, en het geld werd direct gebruikt om terug te betalen aan Weerts & Van der Sluis, waarbij hij blijkbaar in het krijt stond. Bedenkelijk is dat hij blijkhaar een hartstochtelijk speler was: bijna dagelijks gebeurde dit in de societeit, hetgeen hem veelal verlies opleverde ! In de loop der jaren werd de, toch al minitieus bijgehouden administratie zodanig aangevuld dat er een jaarlijkse begroting van de uitgaven was, die dan, later vergeleken met de werkelijke, vrij aardig klopte. Voor het eerst werd dit toegepast in het jaar 1850. Het laatste verantwoorde jaar is 1856, toen de uitgaven al waren opgelopen tot totaal f 2.160,36 1/2. De halve cent werd nog, niet verwaarloosd, getuige een post "meer gebeurd dan voorgeschoten voor eene attestatie de vita f 0,00 1/2."
      Inmiddels waren zijn jongste zuster en zwager Von Weiler naar Middelburg, verhuisd, en lijkt mij de veronderstelling dan ook niet gewaagd dat Daniël, bij hen logerende, verschillende Zeeuwse schonen heeft ontmoet en daaruit zijn toekomstige echtgenote heeft gekozen. Uiteraard heeft het engagement met Clementine Schorer financiële konsekwenties: in november 1855 vinden we onder

 




Blz. 81

het hoofd " Reisgeld ": Logement te Rotterdam f 1,7 , boot van Rotterdam naar Middelburg f 5,-, ontbijt op de boot 50 cts, fooijen voor het koffer dragen 0,50, logement te Middelburg f 10,20, enz. En dan onder " Uitgaven en geschenken ": " Te Rotterdam een flacon gekocht voor mijne lieve Clementine f 35,-". Voor die tijd en in verhouding tot de andere uitgaven een enorm bedrag ! Later worden allerlei zaken voor haar gekocht: een Japansche werkdoos f 30,-, een ring f 8,40, een fleschje roozen- oly f 2,-,  een photographisch portret van mijzelf f 10,60, een plaat " Christ dans le jardin des oliviers "  f 23,-, voor de lijst om die plaat f 5,54, enz. Geen wonder dat de kosten van geschenken in 1856 waren gestegen tot f 207,10 en die van reizen tot f 299,19. De overige belangrijke uitgaven in 1856 waren kamerhuur f 250,-, middageten f 303,95, wijn op mijne kamer f 107,53 lakensche kleeding en linnengoed f 199,10, kantoorbehoeften f 213,67 1/2, makende met andere totaal genoemd bedrag van f 2.160,36,21 1/2.
     Inmiddels kreeg zijn familie in 1856 ruimschoots gelegenheid om met zijn aanstaande echtgenote kennis te maken: op 6 juli 1856 noteert Lucie in haar Journaal " Heden is de a.s. van Daan, Clementine Schorer, tot ons leedweezen weer vertrokken, na hier 5 weken tot wederzijdsch genoegen gepasseerd te hebben."
     Het is jammer dat geen gegevens over 1857, toen hij huwde, en volgende jaren beschikbaar zijn !
Het Familieboek vermeldt omtrent de beide uit het huwelijk Weerts - Schorer geboren kinderen het volgende:
   "a. Johan Coenraad Alexander Weerts, werd geboren te Arnhem 8 july 1858, gedoopt in de Waalsche Kerk 8 augustus d.a.v. en genaamd naar zijnen grootvader Coenraad Alexander en naar zijnen oudoom Johan Weerts. Benoemd tot 1ste ambtenaar ter Secretarie van de Gemeente Bloemendaal den 11 maart 1882, den 24 April 1886 tot Secretaris en Ontvanger der Gemeente Haarlemmerliede, Spaarnwoude e.a. , den April 1889 benoemd tot Secretaris der Gemeente Velsen en bij Kon. Besluit van 5 augustus 1892 tot Burgemeester van Velsen. Gehuwd te Arnhem de 20 juni 1889 met Jonkvrouwe Joanne Wilhelmina Druyvesteyn, geboren te Haarlem 2 September 1868, dochter van Jonkheer Pieter Druyvesteyn, deelgenoot der firma Dorrepaal te Batavia, en Adriana Johanna Margretha de Haan. Zij overleden resp, te 's Gravenhage 30 januari 1928 en te Amsterdam 7 juli 1942. Uit het huwelijk werd slechts een dochter geboren: Adriana Johanna Margaretha Clementine Weerts, geboren te Santpoort 15 januari 1892,

 




Blz. 82

overleden te Apeldoorn 9 juli 1944 uit wier huwelijk met Antonie de Mol van Otterloo zes kinderen werden geboren, die hier niet verder zullen worden vermeld.

b. Christina Johanna Cornelia Weerts, geboren te Arnhem 31 juli 1863, gedoopt in de Waalse Kerk 6 september d.a.v. en genaamd naar wijlen haar tante Christina Johanna en naar haar groot moeder Cornelia. Zij huwde te Velsen 16 oktober 1894 met Carel Louis Udo de Haes, geboren te Semarang 25 juli 1858, Oost-Indisch ambtenaar, zoon van Mr.Leopold Udo de Haes, oudraadsheer in het Gerechtshof te Arnhem en van Margaretha Anna Toewater. Bij Koninklijk Besluit van 28 augustus 1899 werd hij benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau. Hij overleed te Zoetermeer 6 mei 1914, zijn echtgenote te Utrecht 27 maart 1927, beiden zijn begraven te Leiderdorp. Uit het huwelijk werden 6 zoons gebooren, waarvan de oudste jong is overleden, en 5 dochters, die hier echter niet worden vermeld.
     4. Het vierde kind van het echtpaar Weerts - de Jongh was Eva Alexandrina (Santje) Weerts, geboren te Arnhem 9 juni 1816. Zij overleed te Apeldoorn 4 oktober 1888, haar stoffelijk overschot werd bijgezet in de grafkelder van Mr.Daniël Weerts van St.Philipsland te Arnhem. Zij huwde te Arnhem 1 februari 1844 met Jacques Arnoud Besier, Generaal-Majoor van de Generalen Staf, geboren te Voorburg 27 augustus 1814, overleden te Arnhem 1 januari 1897, zoon van Jacques Arnoud Besier, Kolonel der Mariniers, en Johanna Wilhelmina van Oldenborgh. Uit dit huwelijk werden 5 kinderen geboren. De oudste, gehuwde zoon heeft echter geen nakomelingen nagelaten. Tragisch is het verhaal van het lijden en sterven van het oudste dochterje, Anna Maria Arnoldina Besier, geboren te Maastricht 13 december 1846, waar haar ouders toen nog woonden, en aldaar overleden 31 augustus 1847. Haar oom schreef daarover in het Dagboek het volgende:
"28 Augustus. Wij ontvingen nog eenen brief van Santje en Besier, waarin zij ons melden dat het met het lieve Marietje in 't geheel niet beterde. We waren, gelijk te denken is, vreeselijk treurig. Zij waren zeer verlangend dat er toch eens eenige leden der familie hun te Maastricht mogten komen opzoeken, zodat ik wel denk dat Papa, Lucie en Dotothee eerstdaags die reis zullen aannemen, om aldaar eenige dagen te vertoeven. Het is dan ook bijna 2 jaren

 


Eva Alexandria (Santje) Weerts door Jhr. P. van Loon 1837



Blz. 83

dat wij hen volstrekt niet hebben gezien. Men kan denken dat het verlangen wederzijds groot is.
     Maandag 30 Augustus.Des avonds kregen wij eenen brief van Besier, die helaas geen ergere tijding kon bevatten, dan den dood van het lieve kindje. Bijna was alle hoop vervlogen. Het voedsel kwam onverteerd weder te voorschijn, hare handjes en voetjes waren gezwollen en koud, zoodat de dokter sterk wanhoopte het te zullen behouden. Men wil nog wel eens zien dat het zich bij zulke kleine kinderen (8 maanden) spoedig redresseert, en dit zullen wij dan ook voor ons zelve, doch vooral voor de be-angste ouders af smeken. Wij hebben geen van allen het schepseltje gezien, doch vernemen, ook zelfs van vreemden, dat het zeer aanvallig moet zijn. 't Zou ons dubbel bedroeven het te moeten missen.
    Woensdag 1 September. Ten 5 ure was het geheele huis in rep en roer, en te 6 ure namen wij afscheid van hun op de boot, die terstond met goeden vaart wegstoomde. Er was weinig gezelschap, en niet anders dan nog 2 Dames, welke, au premier abord, wel bevielen, zoodat de zusters daar wel eens een gesprek mee zullen aanknoopen.
    Donderdag 2. Gisterenavond laat ontvingen wij nog de treurige tijding uit Maastricht dat ons lieve nichtje Anna Maria Arnoldine Besier onder hevige stuipjes in de armen van haar diepbedroefde moeder was overleden. Besier en Santje moeten het zich vreeselijk aantrekken, hetgeen trouwens wel niet anders mogelijk is. Wij deelden dan ook zeer in hun verlies, vooral Papa, daar het lieve kindje de naamgenoot was van ZEd. onvergetelijke nu gewis zalige echtgenoote, onze dierbare Moeder. De naam Arnoldine was er bij gevoegd dewijl zij juist geboren werd op den verjaardag van Arnold. Hoe jammer dat Papa en de zusters het niet meer levend mochten aanschouwen, hoewel het aan den anderen kant welligt beter geweest is, daar zij, en vooral Lucie, het zich vreeselijk zouden hebben aangetrokken om dat lieve kind zoo te zien lijden, de impressie zou dan gewis veel slechter op Lucie's gezondheid gewerkt hebben, welke toch al reeds niet recht is gelijk ze behoorde. Zij heeft rust noodig en vooral zoo weinig mogelijk onaangename aandoeningen, welke haar zenuwachtig gestel sterk schokken. Reeds bij de ziekte van hun dierbaar telgje hadden Besier en Santje hunne wensch te kennen gegeven dat bij onverhoopt overlijden van Marietje het lijkje naar Arnhem mogt vervoerd worden, om aldaar te rusten naast dat van hare zalige naamgenoot in onze familiegrafkelder, en hoeveel

 




Blz. 84

bezwaar en moeilijkheden er ook tegen mogten zijn, deedt het hun ouderlijk gevoel eer aan, dat zij liever niet wilden dat het stoffelijk overblijfsel van hun aangebeden dochtertje onder geheel vreemde assche zoude rusten. Vele ongevoelige harten zullen het louter idée vinden,en wanneer men wijsgeerig is, dat is te zeggen koud, is, gaat redeneeren. O, ja! dan is het louter idée, (toch dan is er zooveel in ons maatschappelijk leven, ja bijna alles, hetgeen niets anders is dan idée: waartoe dient dan b.v. een familiegrafkelder, waartoe de verschillende klassen van begraven op het kerkhof ? Ik vind hun wensch dan ook prijzenswaard, ja zelfs natuurlijk. Heden avond dan, ontvingen wij daaromtrent nog een naderen brief, waarin verzocht werd dat Daan zoo spoedig mogelijk mogt over komen, en of hij de goedheid zou willen hebhen, het lijkje met zich te nemen en voor het begraven te willen zorgen. Hoewel het geene zeer aangename noch gemakkelijke expeditie is, zal hij het toch gewis met alle zêle ten uitvoer brengen. Op welke wijze hij het geschiktst zal handelen, is nog niet bepaald, maar aller waarschijnlijkst gaat hij morgen met den Pruisischen wagen naar Keulen en zoo verder....
      Het plan werd gewijzigd en 4 sept. stoof Arnold in eens binnen met een brief van Papa in zijne hand, waarin met enkele woorden geschreven stond dat Daan niet had te vertrekken, daar of Besier het lijkje zelf zou vervoeren, of ZEd. het in 't retour mede zoude nemen, welk laatste plan ik niet hoop dat gebeuren zal, zulks zou voor Lucie en Dorothee naar mijn inziens te treurig zijn...
       Donderdag 9 sept.: Ik...vond Papa en Lucie geretourneerd, doch Dorothée was er, op uitdrukkelijk verlangen van Santje en Besier dat één van beiden mogten blijven, toe gekomen om hen nog eenigen tijd gezelschap te houden, hoewel het voor het goede kind eene groote resolutie geweest moet zijn, dewijl zij er schrikkeljk tegen op zag zoo verre van huis te zijn....Santje en Besier waren, gelijk te denken is, bitter bedroefd en waren zeer dankhaar dat de familie juist met deze treurige omstandigheden hen had komen opzoeken. Hoewel het séjour voor hen dáar natuurlijk alles behalve aangenaam is geweest. Altijd door koud regenachtig weer, immer in een donkere kamer te zitten, weinig of niet uit te gaan en volstrekt geen andere menschen te spreken, al die dagen het lijkje nog, in huis, waar S. en B. nog ieder oogenblik bij gingen weenen.... Tegen mijn verwachting in hebben zij toch het lijkje met zich gevoerd, 't is eenigszins gebalsemd, en eerst in een looden kistje, 

 




Blz. 85

vervolgens in een zwaar eikenhouten, en dit alles was voor de reis in een gewoon vierkant kistje, hetgeen Papa deed voorkomen als of er glas in zat. Men kan zich voorstellen hoe het hen moest grieven als men het een beetje onvoorzichtig behandelde. 't staat nu bij ons in de voorzaal en zal morgenavond in de kelder worden bijgezet....
     Vrijdag, 10. Dezen morgen werd de buitenste vierkante kist, die om het lijkje van Marietje gemaakt was, er afgenomen, dewijl het dezen avond zoude worden bijtgezet. Om 6 uur kwam dan ook de koets waarin de koster zich plaatste, en onze knecht  Arie achterop terwijl Arnold en Daan langs eenen anderen weg reeds naar het Kerkhof waren gegaan. Ik gevoelde geene groote roeping om mede te gaan, daar het immer een onaangenamen indruk op mij maakt, die zeer lang mij bijblijft....
    Santje en Besier waren op dezelfde dag getrouwd als haar zuster "Mietje" en de Veye. Het journaal van hun zuster Lucie vermeldt daaromtrent::
    "De 19 jan. 1844 zijn Santje en Mietje aangeteekend, hetwelk gevierd is door een groot familiediner van 29 gasten. Dinsdag 23 was het receptie, het was een onbeschrijfelijke drukte: 156 menschen werden geteld, waarvan 117 aan het souper bleven. Donderdag 1 februari was eindelijk de gewigtige dag, om 11 uur reden wij met 5 rijtuigen naar het stadhuis, waar de burgemeester Van Pallandt hen plegtig aan elkander verbond." (1). 7 maart 1844 heeft de goede Annet Verstege ons verlaten nadat wij twee maanden zeer aangenaam zamen hadden doorgebragt. Zij was ons een trouwe hulp in die drukke dagen, wij zagen haar dan ook met veel leedwezen vertrekken."
     Op 1 augustus 1856 noteert Lucie in haar Journaal: "Toen naar de Wiekerbrug, ter eere van Santje en Besier hun koperen bruiloft. Des avonds soupeerden wij met Ruth en Van Doorn, heel pleizierig, hij stelde veel toasten in."

5. Het vijfde kind van het echtpaar Weerts - de Jongh was Anna Maria (Mietje) Weerts, geboren te Arnhem 24 augustus 1817, overleden te Hengelo(G) 25 juni 1896. Zij huwde te Arnhem 1 februari 1844 met Adrien Charles Guillaume de Veye de Burine, kapitein der genie, geboren te Nijmegen 4 maart 1310 en gedoopt te 's Gravenhage 12 september d.a.v., overleden te Arnhem 30 april 1899, zoon van Jacques Adrien Everard de Veye en Jeanne Caroline Eichholz.
Dit huwelijk is kinderloos gebleven.

 

1) De tafelschikking van die dag is bewaard gebleven in het FA. Weerts als schets met In wolkjes aangegeven voorwerpen en spijzen als volgt:
   "Dejeuner Dinatoir met: Bouillon met geroosterd brood, Appelchina gelij, Daveutria , vruchten, Daube van kalfskop en tong, Macedome aux fruits,  Runderhaas in gelij,  3 gedesoffeerde kippen, Ananas, Nougat met een piedestal van Amandelgebak, Gelatine van kalkoen getruffeerd, Hane in gelij, Daube van paling, Foiegras , Amandel spaanders. Gepresenteerd: warme Aardappelen, moes, 2 saladen, soo broodjes (voor) 48 menschen . De tafel verder georneerd met ......"
   "Tweede eeten Zwavelstok(?) Salade Vruchten Salade á la volaille met gélée , Blanmangel Rheesin, Candelabre, Daveutria des becafes truffes, Vaas, Ananas, Tempel, Ananas, Vaas, Daube van patrijzen, Candelabre, Kalkoentruffel"
   "Aantekeningen diner, groenten, zuur, vruchten, salade, Pasteitjes, Rundvlees, voorts Haas, Candelabre, Zwezerik met oesters, Vaas, Ananas, tempel, Ananas, Vaas, lamscoteletten met aardappelen ..., candelabres, Fricandeau, Podding, salad, Zijn begonnen met een macaroni soep, voorts cabeljauw."

 

Anna Maria (Mietje) Weerts door Jhr. P. van Loon 1837



Blz. 86

Volgens het Journaal werden zij ("Mietje") en haar zuster Santje op 2 juli 1831 "naar Wageningen op school bij Dominé en jufvrouw Van Dolder gebragt. "   " De 14 en 15 Mei 1843 heeft Papa zijn toestemming tot het engament van Santje met Besier en Mietje met de Veye gegeven. "  " De 17 Decemher 1843 zijn wij 4 zusters nog eens voor het laatst tezamen aan de bediening in de Luthersche Kerk geweest."
    Aanvankelijk woonde het echtpaar de Veye te Arnhem, sinds 1849 op het landgoed  " 't Regelinck " te Gelders Hengelo. Daar heeft mijn Moeder als jong meisje vaak gelogeerd, tezamen op één kamer met haar zuster Caroline en een van hun nichtjes Von Weiler. Volgens de verhalen genoot men er van de landelijke genoegens, ging 's avonds met de blaker naar bed, waarna de meisjes samen de grootste pret hadden. Toch waren zij 's nachts wel een weinig bang, zodat zij den de kaars lieten branden en om beurten wakker bleven. Een keer betrapte tante de Veye hen hierop waarbij zij opmerkte "Nu begrijp ik waardoor mijn kaarsen zo gauw op zijn. !" Volgens de overlevering gaven Oom en Tante de Veye elkaar ter Gelegenheid van hun verjaardag een gouden tientje cadeau. Dit werd dan weer bewaard tot de verjaardag van de wederpartij, zodat dit zelfde muntje steeds van eigenaar verwisselde ! Si non è vero....
   Op 1 augustus 1847, de eerste dag van het Dagboek, werden Mietje en de Veye al genoemd ter gelegenheid van een reunie in verhand met feesten wegens de Waalsche Synode te Arnhem.
   Op 1 februari 1848 herdenkt de schrijver de huwelijken van zijn beide zusters 4 jaar tevoren: "Met genoegen herdenk ik nog dikwerf die dagen toen wij bijna 4 weken aanhoudend feest vierden, en het huis vol vroolijke logeergasten hadden, zoodat ik zelfs op eene canapé moest slapen. Volgens jaarlijksch gebruik werden wij allen bij Mietje en de Veye te dineeren verzocht. Onder een glaasje fijnen wijn herdachten wij hunne 4 jarige echtvereeniging en die van Santje en Besier, die met hunne gedachten gewis ook hij ons zullen geweest zijn. Ook dronken wij een glaasje op het spoedige herstel van zuster Lucie. Papa, Arnold en Daan gingen na de thé weg, doch Dorothée en ik bleven nog een gezellig partijtje maken, waarbij ik f -,20 verloor. Wij werden allerhartelijkst ontvangen en amuseerden ons perfect, en willen wenschen hun zilveren, ja gouden bruiloft allen nog in gezondheid te mogen bijwonen !"

 




Blz. 87

Ter gelegenheid van hun gouden hruiloft op 1 fehruari 1894 schonk het echtpaar de Veye - Weerts aan ieder van de neven en nichten een gedenkteken, bestaande uit een zwarte marmeren zuil, waarop een zilveren vrouwefiguur, houdend in opgeheven rechter hand een vel "papier"(ook zilver), waarop vermeld: " 1 Feb. 1844 - 1894", terwijl de linkerhand rust op een groot schild met het naamcijfer d V W. Op de marmeren zuil is een rond schild aangebracht, omringd door lauriertakken, waarop vermeld "50 jarige echtvereeniging van A.C.G.de Veye met A.M. Weerts. Met dankbare herinnering aangeboden aan hunne neven en nichten. " Een exemplaar van dit gedenkteken, afkomstig van mijn moeder, is in mijn bezit.
    Het aantal neven en nichten van de kant van de Veye zal wel niet zo groot geweest zijn: hij heeft wel is waar 12 broeders en zusters gehad, maar daarvan was slechts één zuster, Adriana Sophie, gehuwd en wel met Emilius Abraham van Kempen, en één broeder, Ferdinand Louis François, gehuwd met Suzanne Wilhelmina la Motte. Of uit eerstgenoemd huwelijk kinderen geboren zijn, is mij niet bekend, uit het huwelijk de Veye - la Motte werden 6 kinderen geboren, waarvan er in 1894 reeds 2 overleden waren.
   In Ned. Patriciaat 1951 blz.377 wordt de Veije genoemd majoor titulair der Genie, daarna Wethouder van Hengelo(G), hij was ridder van de Eikenkroon.

   Het 6e kind van het echtpaar Weerts - de Jongh was Coenraad Alexander Weerts geboren te Arnhem 20 septemher 1819. Hem was slechts een kort leven beschoren, want hij overleed reeds aldaar 8 mei 1828.
   Van hem is in mijn bezit een hriefje "voor de lieve Tante (Van) Meurs" te Harderwijk, waarin hij schrijft:" Wat heeft u mij plaisir gedaan met de snijboontjes en postelein, zij smaken mij heerlijk, ik heb er al twee maal van gegeten en hoop er nog meer van te smullen..."
      Dit briefje was gevoegd bij een brief van zijn moeder aan haar genoemde zuster, gedateerd 2 april (1828?), waarin zij over haar zoontje schrijft:"Zedert Uw vertrek was Alexander weer minder, gij weet hij was reeds vol op de borst en dit vermeerderde zoo dat Tilanus weer bloedzuigers ordonneerde. Hij heeft er drie gehad, na dien tijd ziet hij er niet zoo goed uit, zoo geel bleek, en is ook nu en dan weer koortsig en ook minder opgeruimd: ik ben nu eenige maalen in de lucht en voel mij daardoor gesterkt.

 




Blz. 88

Ik hoop dus het ook dezelfde invloed op onze lieve jongen zal hebben, wanneer hij ook dat voorrecht geniet."
Helaas heeft de buitenlucht hem niet mogen baten en is hij de maand daarna overleden.

     Het 7e kind van het echtpaar Weerts - de Jongh was mijn grootvader. Volgens zijn geboorteakte, die ik op het Rijksarchief te Arnhem heb ingezien, waren zijn voornamen Erdwin Fredrik Johannes. Merkwaardig is, dat hij later, ook in officiële stukken, steeds genoemd werd Frederik, hetgeen dus niet juist is. De geboorteaangifte voor akte no.423 geschiedde op 18 decemher 1821, voor Mr. Jacob Nicolaas van Eck, President-Burgemeester van Arnhem, door Mr.Coenraad Alexander Weerts, oud 40 jaar, koopman, wonende buiten de St.Janspoort, die verklaarde "dat zijne huisvrouw Vrouwe Anna Maria de Jongh, oud 40 jaren, de 16 dezer des avonds ten half negen uur op het huis Marienherg binnen deze Gemeente is bevallen van een zoon..."
    Van zijn kinderjaren is weinig bekend. Volgens het Journaal van zijn zuster Lucie is "op 1 augustus 1831 onze gouvernante, Mejuffrouw Koch, vertrokken. Zij is 6 jaar bij ons geweest en heeft vreugde en leed met ons gedeeld. Wij waren zeer aangedaan toen zij vertrok."
    Daarna heeft Lucie blijkbaar de opvoeding zelve geheel verzorgd. Door het overlijden van hun moeder was de benoeming van een toeziende voogd nodig. Daartoe werd op 23 septemher 1830 " Oom (Van) Meurs door de familieraad aangesteld."
   Op 10 juli 1832 noteert Lucie: "Erdwin vertrekt Zondag, naar Elburg". Daar is hij dus op kostschool geweest. Uit die tijd is nog bewaard gebleven een briefje gedateerd 27 oktoher 1832, aan zijn zusje:"Lieve Dorothée, Gij wilt zeker wel eens een antwoord van mj hebben en daar ik nu de tijd heb u eens te schrijven zal ik de pen voor u opnemen, en zeggen dat ik zeer gezond ben.... Het speet mij zeer toen ik hoorde dat gij zondag ziek was geweest. Ik had Tante Emilie en Oom Wien (=het echtpaar de Jongh - Weerts) nog zoo gaarne gezien, voordat ik heen ging. En het deed mij zeer veel genoegen toen ik hoorde van Arnold dat gij al school ging. En kent gij al veel ? Maar dat denk ik wel, Gij zult u best wel doen. Lieve Dorothée, hebt gij al veel genoegen in het clavier, en kent gij al veel airtjes, ik hoop het opdat als ik te huis kom dat ik je dan is op het clavier kan accompagnairen. Nu lieve

 




Blz. 89

Dorothée kan ik u niet meer schrijven want ik moet ook nog een brief aan Papa schrijven. De complimenten aan allen en aan de meiden en Frans en denk veel aan Uw Erdwin."
      Enige tijd later is hij naar Harderwijk vertrokken, getuige een brief van 29 oktober 1836 aan zijn zelfde zuster, die toen op kostschool was bij Mademoiselle Zwaan te IJsselstein: "Voor een paar dagen heb ik een brief van Lucie gehad, waarin zij mij schreef dat gij morgen jarig zijt, en dus wilde ik u toch met een brief troosten. Ik hoop dat gij nog lange jaren in deze genoeglijken kring moogt doorbrengen en dat wij beiden als jongsten onze lieve dierbare Papa en andere broers en zusters ook nog lang mogen behouden. Vindt gij het genoeglijk op school en is de juf lief tegen u, ik denk wel dat dit alles waar zal zijn want Lucie heeft mij geschreven dat gij tevreden waart..... Ik kom alle zondagen bij oom en tante Meurs.....Denk veel aan uwen liefhebbende broeder Erdwin Weerts. Zoo gij mij eens wilt schrijven, dan is dit mijn adres: Monsieur E.F.J. Weerts, chez Monsieur Terpstra(?), Harderwijk."
Uit deze beide brieven blijlkt wel van een broederlijke liefde voor zijn jongste zuster. Deze is ook in latere jaren blijven bestaan, zoals blijkt uit talrijke aan haar gerichte brieven, welke nog in mijn bezit zijn, en waaruit nog herhaaldelijk zal worden geciteerd. De stijl van de beide genoemde past wel volkomen in de tijd van de beroemde Van Alphen !
    Na Harderwijk bezocht Erdwin het gymnasium te Tiel, waar hij drie jaar doorbracht, zoals blijkt uit zijn inschrijving op 14 september 1840 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht met de vermelding: "Ex gymnasio Tilano". Volgens de opgave van de archivaris van de Senaat te Utrecht woonde hij aldaar in 1841 in de Lange Jansstraat bij Tap, van 1842 - 1846 in de Choorstraat bij v.d.Vlis, en de laatste twee jaren in de Lijnmarkt bij Honig.
    Lucie schrijft in haar Journaal op 23 april 1840: "Heden is onze lieve jongste broeder Erdwin te Thiel aangekomen, zondag daarop is hij bevestigd en het deel aan het heilig avondmaal genomen.".... " 13 september 1840 is Erdwin naar Utrecht vertrokken om te gaan studeren. Z.H.  heeft Oom Weerts tot lid van de Eerste Kamer benoemd. 25 oktober 1841 heeft Erdwin zijn mathesis-examen gedaan."
    "20 december 1843 zijn Erdwin en Dorothée bij besluit des Konings meerderjarig verklaard."
Het Familieboek bevat omtrent hem slechts summiere gegevens, dus behoeft hier niet geciteerd te worden omdat die gegevens

 




Blz. 90

hierna veel uitvoeriger vermeld zullen worden.
       Uit zijn brieven en dagboek blijkt dat hij de genoegens van het leven wist te waarderen. Dit slaat ook op het genieten van spijs en drank. Zo schreef hij op 18 december 1846 uit Utrecht aan zijn jongste zuster: "Met genoegen vernam ik dat gijlieden druk aan de slagterij zijt, het is jammer dat het nu juist zoo koud is, want in de keuken met die steenen vloer zullen de pootjes wel een weinig koud worden, niet waar? Ik verlang om er eens iets van te proeven om eens te zien of gijlieden weer zulke bazinnetjes in het worst stoppen zijt als voorleden jaar."
    Interessant zijn ook de volgende passages uit die brief: "Door den brief van Papa merkte ik pas dat ik jarig was geweest, ik had er niet levend aan gedacht, evenzoo als ik de Uwe en die van Lucie ook geheel had vergeten. Nu zult gij het mij minder kwalijk nemen indien ik ook zelfs den mijnen vergeet."..."Met verbazing las ik uit den brief van Papa dat gij de eerste keer niet naar het Casino zoudt gaan, wel, wel, komaan ! dat had ik niet gedacht!.. Wanneer men jong is, dan houdt men over het algemeen ten minste nog wel van dansen en springen, het is te hopen dat gij die kippekuurtjes nu maar voor goed en altijd heen hun congé geeft. Ik ben van plan Woensdag a.s. op te gaan zitten en eens te zien of ik Marienberg en deszelfs bewoners nog weet te vinden, maar ik had gaarne nog een paar woordjes vóór dien tijd van huis om eens te hooren of Papa er niets tegen zoude hebben indien ik de kleine Lady medebragt Tenminste indien er nog geen andere plaatsvervangster van Azor is gekomen. Lady is veel tot haar avantage veranderd, eenige kleine ondeugden, welke zij bij Oom de Veye hadt, heb ik er met eenige dozijnen knuppels geheel uitgekregen." Misschien dat ik dan voor U ook nog een paar van die vogeltjes meebreng (Patrijzen?), waar ik je wel eens van gesproken heb, en voor de andere huisgenoten een paar lekkere dikke eendvogels, zoodat iedereen dan wat heeft.... Bij de Op ten Noorts heb ik mij weer famous verveeld, zulke menschen zijn er niet veel, verbeeld je, nu vragen ze mij of ik ook mede had gedaan met de masquerade, kunt gij u zoo iets verbeelden, en dergelijke vragen meer. Voor een paar dagen heb ik zeer pleizierig gesoupeerd bij Mary en Hoytema. Prof. Mulder en zijn vrouw waren er ook. Eerstdaags ga ik eens naar Ariane en de Bruijn. De gelegenheid om te arren is zeer goed. Wij hebben eergisteren een groote sledevaart gehad met groote schuiten, vlaggen en muzijk etc.. Wij hebben ons perfect geamuseerd. Is de Piano nog niet gekomen? ik hoop van niet, dan kan ik nog bij het ontpakken zijn.

 

Klik hier voor het vervolg

<<< Terug <<<

hdebie45.deds.nl/Genea