Klik hier om terug te gaan naar het vorige deel

A a n t e k e n i n g e n
betreffende de Familie
W E E R T S deel 2b



Blz. 91

De Op ten Noorts hadden ook een nieuwe gekocht, doch ik vond haar maar zoo zoo, hoewel zij er ijsselijk mee waren opgehemeld. Ik heb voor eenigen tijd voor het College en de Senaat bedankt zoodat ik nu meer dan ooit als ambteloos burger leef, doch ik er de drukten ook lang genoeg voor heb gehad."
   Uit deze en dergelijke uitvoerige hrieven kunnen veel bijzonderheden opgemerkt vvorden die ons een inzicht geven in zijn bezigheden, liefhebberijen, karakter en in 't algemeen in de toenmaals heersende omstandigheden.
    Blijkbaar heeft hij te Utrecht niet alleen met succes gestudeerd, maar heeft hij er ook alle genoegens van het studentenleven,speciaal ook door zijn lidmaatschap van het Corps en van de Senaat, gesmaakt. Ter gelegenheid van een lustrum heeft hij in 1846 deelgenomen aan de maskerade, die toen gehouden werd, en als onderwerp had "De Intogt van Philips II binnen Utrecht in 1549". Hij was blijkens het programma als Commissaris nauw daarbij betrokken. Dat de Op ten Noorts hiervan onkundig waren, is nauwelijks aan te nemen, zodat zijn verbazing over hun vragen daarnaar, wel verklaarbaar is. Door deze intense beleving van het student zijn, is het begrijpelijk dat de duur van zijn studie in de rechten wel langer was dan strikt noodzakelijk, n.l. van 1840 - 1847. Dat het hem en zijn vader ook het nodige gekost heeft, blijkt elders.
    Uit een brief aan zijn zuster Dorotée, geschreven op Marienberg 10 september 1847, toen zij bij haar zuster en Besier in Maastricht logeerde, het volgende:
    "Ik wil deze gelegenheid ook niet voorbij laten gaan, zonder een paar woordjes in de doos te moffelen, die Lucie u morgen zal sturen, maar zeer veel kan het niet zijn daar Lucie de helft van dit blaadje heeft afgekrabbediefd !... De schilderijtjes van Annet moetende vernissen, heb ik meteen uw beide zeetjes ook nog eens een streekje gegeven, zoodat ze fameus zijn opgehelderd....ik ben druk aan 't stekken, ik heb 2 mirthen, 2 granaten, 2 gele jasmijnen etc. gestekt, en hoop van harte dat ze aangaan, en zal tegen het voorjaar ook eens een menigte citroenpitten zaaijen.... Morgen ga ik voor 2 dagen naar Wehl daar wordt mijn vriend Van Wetering als dominé bevestigd. Nu lieve Thees, de melk wordt reeds door het pronkjuweel gebragt, ik moet eindigen. 
   Op 27 november daarna schreef hij haar uit Utrecht: "Het deedt mij groot leed uit den Uwen te moeten vernemen dat de gezondheid van Lucie nog lang niet beterde, ik had stellig

 




Blz. 92

gedacht dat het stille verblijf op de Kopermolen haar geschokt zenuwgestel weder goed op order zou brengen doch de hoop daarop is nog niet geheel verloren, zoo plotseling kan hare ongesteldheid helaas ook niet verdwijnen. Doch dit is zeker waar, zij heeft rust noodig, vooral ook als zij weer op Marienberg zal zijn.... Mijn academische loopbaan loopt nu geducht op zijn eind. Wanneer er niets in de weg komt, begin ik Woensdag met het drukken, dan kan ik een dag of 5 a 6 daarna promoveeren, maar het is moeilijker dan ik dacht, en houdt langer aan, daar Prof.Vreede en die nieuwe prof. er veel strenger en nauwgezetter omtrent worden. Als hun de Theses niet aanstaan, schrappen zij ze geheel eenvoudig uit, en men kan weder van voren af aan, aan het zoeken gaan.... Wilt gij bekend maken, dat de brief van Arnold met het geld alles in order mij is ter hand gesteld, ik heb de tientjes nog niet uitbetaald, daar ik moeite doe om er opgeld van te krijgen, alle 5 of 10 gulden komen mij tegenswoordig te stade, daar mijne Promotie ook weder een goede f 200,- kost. - P.S. wil s.v.p.aan Arnold zeggen dat zijn angst omtrent eenige zaken geheel en al ongegrond is, dat ik zelfs bij geen enkelen smous koopman in gewone waren, laat staan staan in loterijbriefjes, iets te betalen heb, en laat hij daaromtrent gerust zijn, want met geen enkelen jood zal ik mij meer met geldzaken inlaten."
     Omtrent de promotie worden wij door de jonge doctor in zijn Dagboek uitvoerig ingelicht. Het volgende is er aan ontleend:
    "Maandag den 29( september) 1847  vertrok ik naar Utrecht, bleef nog eenige dagen bij v.d.Vlis op mijne oude kamers, en betrok den eersten october mijne nieuwe appartementen, die ik voor een maand op de Neude had gehuurd. Hier heb ik eenigen tijd aan quaestiones gearbeid, daar ik reeds van het schrijven eener Dissertatie had afgezien. Doch ook die quaestion zouden mij te veel tijd kosten, ze werden dus ook op zijde geschoven, en eenvoudige theses zouden hunne plaats vervullen. Ik nam er 5 uit het oud Rom(ijns) regt, 8 uit het Burgerlijk Wetboek, 7 uit het Wetboek van Koophandel, 6 uit den Code Pénal, en tot toegift (hoewel geheel onnodig) nog 2 uit de Oeconomia Politica bij Prof. Ackersdijk, die er zeer (mee) ingenomen scheen te zijn, zoodat ik 28 theses heb ingestudeerd, eigenlijk 8 meer:er dan noodig was, doch daar ik eerst eene Dissertatie, daarna quaestiones zoude schrijven en op het laatst geen van beiden, vond ik het een weinig kaal, om niet meer dan het juist gevorderde getal theses te noemen.... Met het drukken mjjner stellingen was ik van den ge wonen regel afgeweken, in stede van theses had ik namelijk een oud in onbruik geraakt Postiones laten drukken. Verder heb ik het

 




Blz. 93

mijnen dierbaren Vader, wien ik zooveel verschuldigd ben, opgedragen, en er eene voorrede van 8 pagina's voor laten drukken, en een lief vers er achter van mijnen vriend Van Loenen. Hetgeen alles sedert jaren in onbruik was geraakt. Zwaar meridiaan papier, verguld op snee, in ouderwetsch papier gehuld, en ziedaar mijn boeksken geheel à la renaissance ingerigt, 't zag er keurig uit. (N.B.Een exemplaar daarvan is in mijn bezit, er is bijgevoegd een vertaling van de Latijnse "voorreden" vervaardigd door Mr.Flieringa)
    "Toen dit alles in gereedheid was, ging ik bij Prof.Vreede een uur vragen, met dit gevolg, dat ik Zaterdag den 11. Dec. 1847 cum laude tot Doctor in de beide Regten ben bevorderd....
     Nog gebeurde er iets buitengewoons bij mijne Promotie, het rondrijden namelijk mijner theses, 't geen slechts bij Publieke Promotiën gewoonlijk, en dan nog, zeer eenvoudig plaats vindt. Eenige mijner vrienden hadden het plan geopperd om eens zooveel mogelijk luister met dat rondrijden bij te zetten. Ieder moest voor zijne eigene koets zorgen. Ik zorgde voor een koets met 6 zwarte paarden van de bok gereden, de koetsier was geheel in gala, witte pruik, 3 kant steekje, uitgesneden rok etc., dito 2 bedienden achterop. Ik zelf en mijne 3 vrienden insigelijks in groot costuum, daarop volgden nog 5 rijtuijgen, elk bespannen met 4 paarden, waarin mijne ander kennissen verdeeld zaten, zoodat het bijna een onafzienbare rij van koetsen was. Alles ging statig, stappend, nog nooit was zoo iets in Utrecht vertoond, Duizenden menschen waren dan ook op straat, en aan menig venster waren allerliefste kopjes te zien, waardoor wij zoo vriendelijk mogelijk werden begroet, 't geen ons beter verwarmde dan de beste Stermansche haard, want wij troffen wel een heerlijken zonneschijn, doch eene fameuse koude. Alles liep in de beste order af."
     Na de promotie volgden dan de nodige afscheidsvisites, o.a. bij Van Loon, de Op ten Noorts, Van Doorn, Van Hoytema enz. en "na alles gepakt en gezakt te hebben, verliet ik mijn dierbare Utrecht den 25 December, en kwam ten 3 ure behouden op Marienberg aan, waar ik allen in volmaakten welstand aantrof. Lucie was nog in Deventer bij Fanny en Van Marle gelogeerd, na alvorens eenigen tijd bij Oom Jan de Jongh op den Kopermolen bij Apeldoorn doorgebracht te hebben....Annet Verstege zou tot ons aller groot genoegen de Kersdagen en Nieuwjaar hier komen logeeren en wij hebben dan ook met haar stille doch aangename dagen doorgebragt."
     Nu de studie beeindigd was, waren er voor mijn grootvader twee zaken die de aandacht begonnen te vragen. 1. Het zoeken naar een

 




Blz. 94

levensgezellin, en 2. het uitzien naar een werkkring. Wat het eerste betreft, blijkt uit alles dat, zoals te begrijpen is, het vrouwelijk schoon hem Iang, niet onverschillig was. Toen hij in januari 1848 wederom voor een week in Utrecht verbleef, noteerde hij in zijn dagboek:: "Vrijdagochtend had ik nog een geluk: ik had namelijk reeds veel moeite gedaan om Marie N,..nog eens te zien gedurende mijn kortstondige séjour, doch tot dusverre altijd tevergeefs. Nu liep ik vrijdagochten op de Nieuwe Gracht en nog al driftig, wil de juist de Hamburgerstraat ingaan, doch zie, daar kwam ook juist Marie met hare Mama aan, zoodat als ik niet spoedig eenige schreden terug was gegaan, wij stellig gecaramboleerd zouden hebben. Zij begon te lagchen en groette zeer vriendelijk. 't is werkelijk wel het liefste meisje, wat ik tot dusverre ken. Zij is zeer eenvoudig, en ziet er interessant uit, en heeft magnifieke zachte bruine oogen Wanneer ik wat meer fortuin had (want dat heeft zij niet) en als ik stellig wist dat zij het dorpsleven aangenaam zou kunnen vinden, zou ik wel eens nader met haar willen kennis maken, alhoewel er wel nog eene schaduwzijde: aan is, om n.l. in die stijve Utrechtsche haute volée zoo te moeten inkomen. Niet dat deze reden onoverkomelijk is, in geenen deele, daar het mij volstrekt geene moeite zoude kosten overal gepresenteerd te worden. Enfin ik zal eens zien wat Mejuffrouw Fortuna, die over het algemeen ijsselijk nukkig en Journalière is, wel voor mij heeft beschikt. Ik was wezenlijk kinderlijk verheugd, dat ik haar nog eens zag, ik had haar vroeger eens op een soiree bij P,van Loon ontmoet, nimmer zal ik het vergeten welke indruk hare eenvoudigheid en ongekunstelde vroolijkheid op mij maakten."
      Enige dagen later geeft hij, naar aanleiding van het engagement van zijn jongste zuster Dorothée met Von Weiler, een lyrische beschrijving van al haar voortreffelijke eigenschappen, die hij besluit met de woorden: "in één woord, ik zal ten hoogsten verheugd zijn indien ik ook eens zulk een meisje 't mijne mag noemen ach ! dat het spoedig gebeure ! ! !"
   5 Februari 1848 noteert hij: "Ik ontving heden uit de handen van Papa mijn moederlijk erfdeel, 't geen ZEd. na de scheiding van 1844 zoolang voor mij geadministreerd heeft. 't Was voor het eerst dat ik eens effecten goed nauwkeurig zag en in handen had. Den geheelen avond besteedde ik om eens nauwkeurig oog in mijnen boedel te slaan, mij door mijne onvergetelijke Moeder nagelaten, waar ik Haar steeds in gedachten dankbaar voor zal zijn en tevens Papa

 




Blz. 95

voor zijne beste administratie gedurende die jaren. Jammer maar dat ik er eenige van heb moeten verkoopen om nog rekeningen in Utrecht af te doen. 't Spijt mij razend dat ik dáár zoo veel heb verteerd, doch gedane zaken nemen geen keer !"
     Een duidelijk inzicht in zijn hang naar romantiek geeft de volgende levendige beschrijving van een tocht naar het kasteel Doornenburg op woensdag 24 mei 1848:
    "'t W'as magnifiek weer, ik trok dus de stoute schoenen aan en ondernam mijne vrij groote wandeling, beladen met teekengereedschappen en een zak met gedroogde appels ten einde mij tegen den geeuwhonger te wapenen. Tegen 1/210 vertrok ik, en was zoowat tegen 1/2 1 bij 't doel mijner tocht. Ik hield den dijk over Huissen tot even achter Angeren, toen ik een schilderachtig binnepad insloeg, aan de, eene zijde langs welig groeijend koorn, aan de andere zijde een sloot bewassen met wilde rozen en geele pinksterbloemen. Ik genoot onuitsprekelijk veel op deze wandeling, vooral toen ik eenen hoek omkomende, een 1/4 uur ongeveer vóór mij een donker groen eikenbosch zag, waarboven even een oud vervallen torenspitsje uitstak. Daaraan alleen kon ik zien, dat 't doel van mijn togt niet te vergeefs zou zijn. Ik ademde dieper, snoof den wind op, en rook als het ware dat 't kasteel zou zijn gelijk ik het mij voorstelde. Oud, vervallen, heerlijk schilderachtig. Ik moest harder aanstappen, drong door de eiken heen en... zie, dáár zag ik 't schoonste overblijfsel der ideale riddertijden vóór mij. Onwillekeurig kwamen mij de tranen in de oogen en zonder het te weten had ik mijn hoofd ontbloot, zoo trof mij de aanblik van dit oud, vervallen, riddermatig goed, in een breede gracht gelegen, doch nu begroeid met wier en riet, omringd door eeuwenheugende eiken. Honderde raven, kraaijen en duiven vlogen af en aan, die alle in de oude vervallen torens nestelden, en door hun gekras mijne aangename gemoedsstemming geenszins verminderden. Door de schilderachtige voorpoort kwam ik op 't binneplein, omringd door boerenwoningen, stallen en vervallen vestingwerken, mijne verbeelding spiegelde mij hier geharnaste ridders voor op hengsten gezeten, omstuwd door trouwe vassalen of rijkgedoste jonkvrouwen door schildknapen en minstreelen gevolgd in één woord, ik was geheel middeleeuwsch geworden. Jammer dat ik zoo spoedig weder in de werkelijkheid der I9e eeuw zou geraken! Een boerenmeisje liet mij 't kasteel van binnenzien, overal klom ik in en door, doch iets merkwaardigs vond ik niet. Alles was vreeselijk oud en vervallen, in het plafond van een der zalen, ziet men Gijsbrecht van Amstel geheel geharnast

 




Blz. 96

te paard zitten. 't Boerenmeisje verhaalde mij dat het kasteel ten tijde van Christus bestond. Welke gedrochtelijke ideëen de zogenaamde overleveringen toch te weeg kunnen brengen ! Na een paar glaasjes water en melk gedronken te hebben, verliet ik deze eerwaardige plaats weder, na nog even in den slottuin te hebben gewandeld, en de overblijfsels van eenen stellig 5 a 6 honderdjarigen eik in oogenschouw genomen te hebben. De terugweg verschafte mij weder even veel genoegen, en te Huissen rustte ik een weinig uit alwaar ik mij een paar boterhammen met ham en bier delicious liet smaken. Vrij vermoeid kwam ik ten 9 ure weder te huis."
      Donderdag 25. Dezen geheelen dag bragt ik door met het in kleuren opteekenen van 3 schetsjes, die ik gisteren van 't kasteel Doornenburg genomen had,"
Reeds tijdens zijn laatste studiejaar heeft hij pogingen in het werk gesteld om tot burgemeester te worden benoemd. Bewaard gebleven is een concept voor een verzoekschrift aan Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, Prins van Nassau, Groothertog van Luxemburg, enz. enz. enz, d.d. 22 juli 1847, waarin hij stelt'
"dat hij zich steeds tot doel zijner wenschen heeft gesteld om in eene administratieve betrekking, werkzaam te zijn, ten einde daarin als een nuttig lid der Maatschappij zijn Vaderland te kunnen dienen, en hij zich voorgenomen had, om na zijne Promotie, bij eene gunstige gelegenheid, eene zoodanige plaatsing van Uwe Majesteit te verzoeken.
   Dat thans evenwel door het overlijden van den Heer Burgemeester en Secretaris van de Gemeente Burgharen, deze gelegenheid zich reeds voordoende, hij dezelve te baat neemt, om zich daarvoor bij Uwe Majesteit aan te bevelen.
   Dat hij in Arnhem heeft voldaan aan de verpligtingen der Nationale Militie en thans als Schutter in dienst is bij de dienstdoende Schutterij te Utrecht, enz.
   Redenen waarom hij met vorigen eerbied de vrijheid neemt, Uwe Majesteit te verzoeken, dat het Hoogstdezelve moge behagen, hem rekwestrant tot Burgemeester en Secretaris der Gemeente Burgharen te benoemen."
   Dit verzoek werd niet ingewilligd. Het volgende jaar had hij echter meer succes en volgde zijn benoeming tot Burgemeester van Westervoort ! Tevens nam hij de betrekking van Secretaris dier Gemeente waar. Bij de nieuwe Gemeentewet van 29 juni 1851 werd deze cumulatie echter verboden, tenzij daartoe goedkeuring van de Koning was verleend.

 




Blz. 97

In de raadsvergadering van 8 november 1851 werd hij, onder dit voorbehoud, met algemene stemmen weder tot Secretaris benoemd. Prompt volgde daarop een rekest aan de Koning "dat het Uwer Majesteit moge behagen goed te keuren dat hij tevens de betreking van Secretaris der Gemeente Westervoort moge blijven waarnemen." Hoewel mij daarvan niet blijkt, neem ik aan dat hierop goedgunstig, is beschikt. Als motief wordt nog aangevoerd dat het geringe salaris van de Burgemeester, n.l. f150,- per jaar, hetwelk dan zou worden verhoogd met een bezoldiging als Secretaris van f 100,- per jaar, totale tractement dus f 250,-, "zodat hij inderdaad naar een gunstige gelegenheid haakt om als Burgemeester eener grootere gemeente in Gelderland te kunnen worden voorgedragen, waartoe hij zich alsdan met eerbied in Uwer Majesteits gunstig, aandenken hoopt aan te bevelen."
   Gelukkig heeft deze gelegenheid zich vrij kort daarna voorgedaan, zoals hierna zal worden vermeld.
De hiervoor genoemde bezoldiging was, ook voor die tijd, bijzonder laag. Ter vergelijking is het wel merkwaardig dat zijn Vader op 31 januari 1848 "wegens vertrek van den tegenwoordigen knecht Jacoh, heden eenen anderen heeft gehuurd, met name Christiaan. 't Schijnt dat hij ons goed kan bevallen, hij krijgt f 72,-(per jaar), waaronder f 12. broekengeld, waarvoor hij nam. zich zelven pantalons moet aanschaffen. De overige lakensche kleederen krijgt hij natuurlijk als livrij zoodat hij eigenlijk slechts f 60 loon krijgt, doch met belofte van opslag."(plus kost en inwoning )
   Uit de Westervoortse: periode zijn wederom diverse brieven aan zijn jongste zuster bewaar gebleven. Hij vvoont er op kamers en klaagt over de weinige contacten, omdat de doctor en ontvanger, blijkbaar de belangrijkste, beiden getrouwd zijn en het er nu is om te leren toveren. In een brief van 4 februari 1849 schrijft hij: "Elke minuut en elk uur van elken dag gevoel ik dan ook meer en meer wezenlijke behoefte naar iets, een schepsel van Onzen Lieven Heer, 't geen de natuurkundigen met den naam van vrouw hebben bestempeld, een 2e ik, meest zeer moeijelijk te zoeken, doch makkelijk in een te vinden. Ik gaf wel wat als ik er ook zoo gemaklijk eene vond als Adam, 's  ochtends na een lekkere lange slaap, in eens je 2e ik voor je te zien staan, daar je aardsch lief en leed, en toch immer vergenoegd, mede zoudt kunnen verdragen, dat zou een kolfje naar mijn hand zijn! "
  Hij klaagt over zijn 65 jarige huishoudster Aaltje, "een geschikt

 




Blz. 98

portret om in den apentuin te Amsterdam tusschen de Chimpansées en Ouran-outang geplaatst te worden met de etiquette er boven, baviaan uit de Wildernis van 't land der Hottentotten. Ik zou gaarne willen dat mjjne gedienstige geest wat opgeruimder was, en vooral wat zachter, wat vrouwelijker, tegen dat zoogenaamde manwijzige heb ik zoo ontzagelijk tegen, en dat bezit zij in de hoogste mate met haar "Heer Jees, verdraait, etc."
    Op 18 april d.a.v, schrijft hij haar weer: "Thees! Gij kunt niet begrijpen hoe zeer ik naar leven in mijn eigen tegenwoordig huishoudentje verlang: ik vergelijk het nu bij een aardig landschapje, doch dat ijsselijk lugubre en regenachtig er uit ziet, doch zoodra de lieve zon voor den dag komt in een klein paradijs wordt herschapen. Hier moet dan ook spoedig eene verandering in komen, ik moet dan ook maar eens spoedig even als verleden jaar een paar zekere Heeren, een expresselijk daartoe vervaardigden zwarten rok gaan aantrekken", Waar dit laatste op slaat is niet heel duideijk.
     Enige tijd later, op 30 augustus, schrijft hij: "Mijn Hemel, iedereen raakte geëngageerd en Daan en ik maar niet. Daar is nu weer Rambonnet met Gelein Vitringa, Herman Vitringa met het 2e De Ruukje, de jonge Van Hasselt op 't Stadhuis met dat rijke Van Ommerentje: 't is om half dol te worden!" En op 21 oktober 1849: " 't Is jammer dat die Charlotte Pit, die Lucie zoo gaarne tot haar schoonzus wilde: promoveeren, nu niet al daar is, opdat gij ook eens kennis met haar mogt maken, of ze U óók, gelijk als aan Lucie en Papa beviel. Het uiterlijk bevalt me niet zeer, daarbij is ze ijsselijk mager en fijn van vel en klein, en ik had gaarne een fiksche jonge maagd. Dat dromelsche geld, al is het nog zoo mooi en blinkend dat is in de kist of zak, maar het gelaat van je vrouw kan men niet wegstoppen, dat heeft men.altijd voor zich. Edoch altijd liever minder mooi maar lief, dan mooi en minder lief. Doch dewijl in liefde ook zinnelijkheid ligt opgesloten, mag en moet men zelfs ook eenigzints zijne zinnen raadplegen."
      In de zomer verhuisden zijn zuster en Von Weiler van 's Gravendeel naar Middelburg, waar hij tot Controleur was benoemd, een mooie promotie. In verband daarmee is de hoop nu op Zeeland gevestigd: "Doch ik weet er nog niets van wanneer ik eens los zal breken om U beiden te zien, een vrouwtje te zoeken en te jagen!"
  Uit 1851 is slechts een tweetal brieven bewaard gebleven. Maar daarna komt een lange brief van 29 maart 1852, geadresseerd uit Epe! Daaruit blijkt dat Erdwin kort te voren Westervoort had

 




Blz. 99

verlaten wegens zijn benoeming tot Burgemeester van Epe. Merkwaardig is de goede herinnering aan Westervoort: " Ik moet dan beginnen van te melden dat ik, toen het op stuk van zaken aankwam, innig melancholiek was toen ik het lieve Westervoort moest verlaten waar ik 3 1/2 jaar allergenoegelijkst geweest ben in mijn eigen huis met Arie en Peetje en later Charlotte van den Bosch(?), het denkbeeld dat ik daar in Epe moederziel alléén zou staan, de Van der Feltzen en hunne vrienden tegen mij zoude hebben (waarom??), mij dáár met twee ellendige kamers te moeten behelpen, was verre van verrukkelijk, en ik wilde mij wel bijna al mijne grijze haren uitrukken, dat ik nog niet getrouwd was, dan had ik am wenigsten eene deelgenoote in lief en leed hier. En toen ik op eenen zondagmiddag op de straatweg van Van Heeckeren en van Daan afscheid en plaats in de diligence nam, kan ik u wel zeggen dat mij het weenen nader stond dan het lagchen. Ik had bijtijds aan Epe's jeugd doen weten, dat ik niet wilde ingehaald zijn. Hoe digter ik echter mijne Gemeente naderde, des te harder begon die bliksemsche conducteur te blazen, zoodat geheele drommen van menschen naar de Herberg liepen om mij te zien. Uitstappende ging ik even in de gelagkamer opgepropt met gapende menschen, die mij van het hoofd tot de voeten aanstaarden. Aldaar was de eerste Wethouder om mij te recipieëeren. Na eenige woorden gewisseld te hebben, ging ik maar zoo spoedig mogelijk naar mijne nieuwe woning, waar ik zeer prettig door mijne huisgenooten werd gerecipieerd en des avonds op een delicious beafstukje werd vergast. Ook waren er dien avond de zoon van Roijaards, die met een juffrouw de Wolff van Westerrode getrouwd is, een goede vriendin van de Van der Aa's vroeger uit Oosterbeek. Dus dadelijk nog al stof tot discours. Den volgenden morgen ten elf ure zoude ik geinstalleerd worden. Doch onder het beafsteak eten hoorden wij ineens buiten een paar 7 klappers afsteken. Wel wetende wat het beduidde ging ik naar buiten, zeide aan die menschen een paar woorden, en gaf hun een drinkpenning, en des nachts tegen 2 uur wakker wordende, hoorde ik levens aan mijn raam en even naar buiten ziende, bemerkte ik, dat men bezig was groen te maken en een vlag uit te steken, waarbij een chassienet werd aangbracht waarop de woorden Heil en Vrede en onder de deur vond ik den volgenden morgen een heel aardig vers. Het geven van een goede drinkpennino was hier natuurlijk het gevolg van. Zulk een foule als hier bij mijne Installatie vereenigd was, kan ik u bijna niet melden. Men was namelijk beducht, dat de zolder van de

 




Blz. 100

raadkamer in zoude storten. Gij kunt begrijpen hoe ik er tegen op zag. Ik had eene kleine redevoering gefabriceerd, die door mij werd voorgedragen, nadat Van der Feltz voor mij de Voorzitterstoel ontruimd had. Ik maakte daarin vooral veel gewag van vriendschap en eensgezindheid die hier helaas! ook niet algemeen heerschen. Dit scheen nogal een goeden indruk gemaakt te hebben. Ik was razend blijde toen die plegtigheid achter den rug; was ...Toen ben ik daarna weder voor een week naar Westervoort gegaan, om mijn boeltje geheel in te pakken en hierheen te vervoeren....Ik heb al mijn goed te Westervoort in een schip geladen en toen langs de Apeldoornsche Vaart naar Oene gebragt, 't geen maar 1/2 uurtje van Epe af ligt. Op die manier was het wel een weinigje duurder, doch ook secuurder. Doch de 1/2 van mijn goed heb ik op zolder maar moeten plaatsen, door plaatsgebrek, daar een mijner kamers geheel voor het archief der Gemeente is ingerigt. Gij kunt dus begrijpen hoe ik naar een betere woning verlang, die ik echter niet kan krijgen dan door ergens te bouwen, dewijl hier alles bezet is. Ik ben dan ook al druk bezig om na den eten altijd eene wandeling naar allerlei rigtingen te gaan doen ten einde eens een mooi puntje uit te zoeken. De grond is hier ook al duur 6 a 700 de bunder. Een beeldig plekje heb ik reeds gevonden, 't geen ik wel zal zien te krijgen. Hede! wat had ik u eens gaarne hier bij mij om te helpen zoeken. 't is hier zoo moeijelijk, dewijl men zich geen begrip kan maken van de allerbeeldigste pittoresque omstreken van Epe. Overal even mooi en varieëerend. In Epe is mijn Eldorado (wat de Gemeente tenminste aangaat) verwezenlijkt. Nog eene vrouvr en een huis en 't is klaar, mits dat ik er stellig op kan rekenen dat gij beiden mij dikwijls koomt opzoeken, en vooral in de jagttijd. Dan zal Weiler laten jagen om gek te worden. Ik heb reeds circa 3000 bunder permissie, en wij zijn maar met ons twee jagers in de Gemeente. Hoenders zijn er als musschen, korhoenders en houtsnippen als leeuwerikken, hazen als kalven zoo groot, grofwild als schapen zoo veel, konijnen als muizen etc.etc., vossen, marters, etc. ook in overvloed. Eergisteren hebben wij nog vossenjagt gehouden...Ik denk dat gij beiden eerstdaags van mij zult hooren, ook nog maar misschien. De kogel moet nu maar door de Kerk, 't heeft lang genoeg geduurd. Niet naar Schoonheuvel, daar ben ik van afgestapt, doch in Doesborgh's grijze wallen. 't Is een vrolijk, lief, talentvol, dik, prollig deerntje. Als het doorgaat hoop ik dat gij ze eens een paar weekjes te logeeren zult vragen lieve Thea, om in haar

 




Blz. 101

eens wat van uwe idees en gewoonten over te gieten.... Met verschrikkelijk groot genoegen lieve beste zus, heb ik de tijding vernomen welke scheepje in augustus van stapel moet lopen. God geve, dat alles gelukkig moge aflopen, en dat gij dan een erfprinsje in uwe armen moogt drukken !"
   Hier daagt dus eindelijk de zo zeer verlangde echtgenote op, niet uit Middelburg, maar uit Doesburg. Hoe hij met haar in connectie is gekomen blijkt helaas nergens uit. Ook het journaal van zuster Lucie geeft hieromtrent geen opheldering.
   Blijkbaar heeft hij er geen gras over laten groeien, want op 28 Mei 1852 schrijft hij zielsgelukkig aan zijn jongste zuster:"Om u nu te doen inzien dat, hoewel er nu een Engeltje in mijn hart huisvest, mijn lief nestelduksken van vroeger daarin ook nog altijd door dezelfde plaats bekleedt, zoo zijt gij na Papa en Lucie de eerste, die ik nu officieel mijn engagement mededeel, echter onder conditie dat ik eens heel gauw antwoord van u krijg, dewijl ik daar verschrikkelijk naar verlang. Verleden Zaterdag dan lieve Thea ging ik weder naar Doesborgh, en maakte er den volgenden Zondag eene visite. Werd te dineren gevraagd en ging mede uit rijden naar De Steeg. Ik moest met de lieve Jeannette altijd nog op eenigen afstand zijn, dewijl ik van papa en mama nog niet de toestemming gekregen had. Den avond thuis komende, toen de dames naar boven gingen om hunne hoeden en doeken af te doen, nam ik het oogenblik waar, dat Mijnheer en Mevrouw alleen binnen waren, en ik droeg hun toen mijne belangen nog eens nader voor, en verzocht hun vriendelijk nu toch hunne toestemming te geven. Na eenige lange discours, vooral over mijn inkomen, 't geen ik hun naar waarheid opgaf tegenswoordig een kleine f 1.100,- te zijn, gaven die goede menschen mij eindelijk hunne volkomen toestemming. Jeannetje werd geroepen, en hoe gelukkig wij toen waren, lieve Thea, zal ik u niet behoeven te melden, en dat wil u wel zeggen dat, ik heb veel genoegelijks in mijn leven gehad, maar nog nimmer heb ik zulk een zaligheid gesmaakt, als toen den volgenden morgen, toen wij tezamen hand in hand een weinig door de tuin wandelden. Jeannette is een allerliefst dotje, vrolijk, opgeruimd, speulsch ('t geen altijd mijn ideaal was) heeft ontzaglijk goed haar verstand, speelt goed piano, zingt aardig (onder anderen das Alpenhorn, zaliger gedachtenis), houdt veel van teekenen en van het buitenleven, enfin in een woord Thea, ik heb in haar alles gevonden wat ik wenschte, en als zij zoo innig veel van mij houdt als ik van haar, waaraan ik geloof niet te mogen twijfelen, dan zullen

 




Blz. 102

wij zeer gelukkig met elkaar zijn. 1000en malen lieve Thea doet zij mij aan u denken, in haar prettige ideëen, en als zij verhaaltjes van 't school doet,  juist zooals gij dat kondet doen, en door haar zachte kleine handjes, die veel van de uwe hebben. Gij kunt dus begrijpen vvelk een geluk zulks voor mij is aan de zijde te zijn gezeten van mijn beminnelijke Jeannette. ... Nu krijg ik eigenlijk geen ijsselijk prettige familie, de Rosenthals en Arriënsen uit den Haag, doch des te liever mijn toekomstige Oom en Tante Mollerus van de Zwaluwenburg, een uurtje rijdens hier vandaan. Ik heb mij een tilburij en paard moeten aanschaffen omdat mijne gemeente zoodanig, uitgestrekt is en om meteen mede naar Doesborgh te sukkelen, dan ga ik over Deventer en Zutphen, wanneer ik wil, anders ben ik altijd gebonden om per diligence over Arnhem te gaan. Uit luxe doe ik het echter waarlijk niet! Ik heb nu ook een mooie plek gronds gekocht, zoowat een minuut of 5 van het dorp, naar alle mogelijke zijden mooije vergezigten, zoowat 2 1/2  bunder groot, dus ook geen kleine lap, voor zoowat f 2.000,- nog al duur, maar 't is ook mooi. Vandaag ben ik begonnen om toebereidselen te maken voor 't bouwen daarop van mijn huis. Men is reeds begonnen met de put, ik zet er een flink huis neer doch vooreerst alleen de onderste verdieping, ruime hooge kamers, breede marmeren gang, etc.etc. en alles zoo sterk dat er later eene geheele verdieping boven op kan (als er namelijk braaf wat Dorothéetjes, Lucietjes etc. komen 't geen God geve), Nu kan Bles twee verdiepingen nog niet trekken, want nu reeds zal mij het huis f  80000,- kosten...."
       In het journaal van Lucie vinden we van deze heugelijke gebeurtenissen maar korte aantekeningen: " 26 mei 1852 bericht dat Erdwin op de verjaardag van onze lieve zalige moeder het jawoord van Jeannette Tack en haar ouders te Doesburg ontvangen heeft. " en " 21 juli is onze a.s. schoonzuster hier komen logeeren en Erdwin de 24e bij Gleichman."
Enkele dagen tevoren schreef Erdwin aan zijn jongste zuster "maar apropos, lieve Thea, gij schreeft mij in Uwen laatsten, op het chapitre van bij mij te komen logeren, of ik wel wist, wat ik proponeerde, want dat ge met kinderen en meid etc moest komen. Maar mijn lieve kind, al kwaamt ge met een dozijn kinderen en een1/2  dozijn meiden, gij zijt en blijft mij altijd welkom, de band die ons voor altijd heeft verbonden, is en blijft te nauw dan op zulke akelige miserabele kleinigheden te letten, en ik verzeker u dat mijn lieve Jeannette u altijd met open armen zal ontvangen. Zij 

 




Blz. 103

verlangt razend om u ook eens te leeren kennen, hoe meer ik haar zie en spreek, des te meer begin ik haar lief te krijgen en te achten.. want zij heeft razend veel goeds...."
     Inmiddels Gaat de bouw van "Brinkgreve", zoals het nieuwe huis heet , genoemd naar het grootouderlijk huis onder Diepenveen bij Deventer , voorspoedig door en heeft Erdwin begrijpelijk weinig tijd voor de correspondentie. Zijn eerstvolgende bewaarde brief is dan ook van 20 mei 1833, toen hij al goed en wel getrouwd was. Van dit huwelijk heeft hij verslag uitgebracht in een soort vervolg op het Dagboek, genaamd "Herinneringen", beginnende met 3 Februari 1853 als volgt:
    "Dit was de gelukkigste dag mijns levens, het was de dag, waarop ik met goedvinden van wederzijdsche betrekkingen en onder inwachting van 's Hemels onmisbaren Zegen, in het huwelijk trad met mijne teerbeminde Bruid, Jonkvrouwe Jeannette Albertine Catharine Louise Tack, geboren te Doesborgh den 17en Maart 1831, jongste dochter van de Weledelen Heer B(enjamin) Tack, Wethouder van Doesborgh en Vrouwe F(rançoise) C(aroline) Baronesse van Eck van Overheek. Als onze getuigen bij deze gewichtige plegtigheid waren tegenwoordig Mr.D(aniël) Weerts mijn jongste broeder, Ontvanger der Stad Arnhem, onze neef B(ernard) J(oost) Verstege, gepensioneerd Kolonel, wonende op het landgoed Den Bosch nabij Brummen, onze neef W(illem) E(rnst) Baron van Till, lid van den Raad van Doesborgh, en J(acob) C(ornelis) L(odewijk) van de Graaff, ontvanger te Angerlo, die op hetzelfde oogenblik in het Huwelijk trad met de oudste dochter van Mijnheer en Mevrouw Tack.
   De Wethouder Tengbergen voltrok stotterend dit Huwelijk, en kerkelijk werd het ingezegend door Dominé Radijs. Half Doesborgh was daarbij tegenwoordig, Na het dejeuner, 't geen zeer luisterrijk was, nam ik ten 6 ure mijn jong vrouwtje mede naar Nijmegen. Wij hebben onze voyage de noces tot Brussel uitgestrekt, en waren opgetogen over al 't heerlijk 't geen wij zagen. Vooral mijn lief vrouwtje dat in alles behagen schepte. Wij logeerden daar in het Hotel Bellevue op de Place Royale. 't Was er uitmuntend doch peperduur. Daarna vertrokken wij naar Maastricht, waar wij met zeer veel genoegen eenige daagjes bij mijn lieve zuster Santje logeerden, die met den Kapitein van de Generale Staf I.A. Besier getrouwd is. Toen gingen we naar Terneuzen over Gent en Sas van Gent. Te Terneuzen bleven wij eene nacht bij mijn lieve zuster Mietje, die met den Kapitein der Genie de Veye getrouwd is, Vandaar met een Postbootje

 




Blz. 104

naar Vlissingen en verder met een pietjeswagen naar Middelburg, alwaar wij weder eenige daagjes bij mijn lieve zuster Dorothée logeerden, die aldaar gehuwd is met Jonkheer A.C.von Weiler, Controleur der directe belastingen. Daar logeerde ook juist onze goede broeder Arnold Weerts, die thans in Keulen op een kantoor werkzaam is. Wij hebben toen nog eenige daagjes dolprettig bij onze goede Papa en onze lieve zuster Lucie in Den Haag in het Willemspark gelogeerd en kwamen den 25en Februarij weder gezond en wel in Doesborgh aan, regt voldaan over ons heerlijk prettig tourtje."
       Ik heb de verleiding niet kunnen weerstaan om na te pluizen op welke grond de getuigen Verstege en Baron Van Till in de trouwakte "neven" werden genoemd.
       Verstege, Bernard Joost, destijds 57 jaren, was zeer waarschijnlijk, een zoon van Govert Anne Verstege, geboren 6 juni 1768, die (na 1803) hertrouwde met Jonkvrouwe Nicola Theodora van der Wijck, de weduwe van Arnold Weerts, de zee-officier, die 12 januari 1803 te Demerary was gestorven. Zoals hiervoor vermeld, was deze Arnold Weerts een jongere broeder van de Arnhemse burgemeester, dus zijn oom. Strikt genomen kan een zoon van diens tweede vrouw niet tot "neef" bestempeld worden !
     Deze Bernard Joost Verstege, geboren 5 juli 1797, na zijn pensionering gepromoveerd tot generaal-majoor, had een oudere zuster Anna Arnoldina Verstege, geboren 20 maart 1794, en ongehuwd overleden te Arnhem 5 mei 1875, die ongetwijfeld de in het Dagboek en de brieven genoemde "Annet" Verstege was.
     Moeilijker is de relatie met Van Till. Deze was ongetwijfeld verwant aan de bruid, en wel doordat haar grootmoeder van moederszijde een barones Van Lynden was, n.l. Jacoba,Louise baronesse van Lynden van den Oldenaller. De zoon van de getuige, Gerhard Frederik Baron Van Till, geboren 2 september 1807, was gehuwd met Maria Anne Juliana Baronesse Van Lynden, geboren 4 februari 1808, dochter van Andries Wolter Baron Van Lynden van den Oldenaller, geboren te Arnhem 11 december 1786. Of hij wellicht een broeder was van genoemde Jacoba Louise heb ik nog niet kunnen ontdekken. De getuige was in 1853 reeds 80 jaar !
    De bruidegom heeft zich, zoals blijkt bij het inzien van zijn trouwakte, vergist toen hij als vierde getuige vermeldde genoemde a.s. zwager Van de Graaff. Deze zal natuurlijk zelf wel aanwezig geweest zijn, maar als vierde getuige trad op een neef van de bruid

 




Blz. 105

Anne Pieter Arriëns, steenfabrikant, wonende te Angerloo destijds oud 29 jaar. Deze was inderdaad een neef van de bruid daar hij een zoon was van de schout-bij-nacht Pieter Arriëns (1), geboren uit diens eerste huwelijk met Anna Geertruy Tack, dochter van Benjamin Tack en Anna Lincklaan (deze Pieter Arriëns, was in 1853 al in de tweede echt gehuwd met Geertruid Albertina Baronesse van Eck van Overbeek). Opvallend is dat de getuige Anna Pieter Arriëns, kort daarvoor n.l, op 27 november 1851 in het huwelijk was getreden met Jonkvrouw Antoinette Wilhelmina von Weiler, die een schoonzuster was van Mevrouw Von Weiler - Weerts. Merkwaardig hoe die families door huwelijken aan elkaar verwant waren !
       Genoemde Jacob Cornelis Lodewijk van de Graaff, geboren te Weltevreden  31 augustus 1816 als zoon van Mr.Hendrik Johan van de Graaff, Raad van Nederlands Indie en Agatha de Dieu, huwde toen Anne Caroline Benjamine Tack, geboren te Amsterdam 10 juni 1824.
      Inmiddels betrok het jonge paar het huis te Epe, dat nog niet geheel klaar was, maar na enkele maanden voltooid werd. Aanvankelijk werd alleen de beganegrond verdieping gebouwd, waar later een verdieping bovenop gezet kon worden, hetgeen dan ook geschiedde toen de voorspoedige gezinsaanwas doorzette. De jonge huisvrouw, Jeannette, schreef op 20 mei 1853 aan haar schoonzuster in Middelburg: "In Uwe verbeelding kunt gij mij zien zitten in een allercharmanste lieve kamer, voor het uitzigt hebbende op den grindweg, en op zijde op de nieuwe keurige aanleg, zooals ik het noem, van mijn besten man, met ontzagelijk véél smaak aangelegd. Het overheerlijke weder deed mij besluiten raam en deur te openen en nu kunt gij niet begrijpen hoe overheerlijk alles is. Het lieve gezang der vogelen, het zachte windje dat er waait, de heerlijke frissche lucht die men hier kan inademen, o dat alles kan ik niet genoeg apprecieeren. Het buitenleven is in alle opzigten Aanprijzenswaardig en ik gevoel mij hier dan ook door en door gelukkig. Mijn beste man is alles voor mij, dagelijks gevoel ik mij gelukkiger.. Het huis in nu op een oortje gevild, zooals men zegt. De gang moet nog gelegen worden en de trap erin gemaakt worden. Ik wil wel bekennen dat ik razend verlang dat alles eens op orde komt, zoodat alles dan eens geregeld zijn gang kan gaan. Mijn beste man heeft het tegenswoordig ontzettend druk.  's morgens van 10 - 2 uur op het gemeentehuis, en dan met die prettige verkiezingen van 9 - half 6, zoodat ik dan altijd alleen moet zitten hetgeen ik maar alles 
1) Pieter Arriens had als vierde kind uit zijn huwelijk met Anna Geertruy Tack: zijn zoon Anne Pieter Arriens, geboren te Velp 13 februari 1823. Diens genoemde moeder overleed vier dagen na zijn geboorte. Zie over de familie Arriens Ned. Patr. 1948, speciaal blz. 12.


Blz. 106

behalve prettig vind. Hij heeft zeer veel kans Lid der Provinciale Staten te worden, het zal nu eerstkomende Dindag beslist worden daar er dan een herstemming tusschen hem en van der Feltz moet plaats hebben. Deze laatste doet al wat hij kan om er in te komen, stuurt briefjes rond etc., maar ik denk dat het hem toch niet zal helpen, en ik van mijnen kant hoop dat mijn beste man, het word."
    Inderdaad werd Erdwin tot Lid der Provinciale Staten gekozen, echter pas veel later n.l. op 24 mei 1865.
Toen het huis eenmaal klaar was, kwamen Vader Weerts en zijn oudste dochter uit den Haag er een poosje logeren. Erdwin schrijft hierover in zijn " Herinneringen ": " 3 augustus 1853. Heden bragten wij de lieve beste Papa en Lucie weg naar Hulsthorst, alwaar zij een paar dagen zouden blijven bij Oom en Tante Van Meurs. Zij hadden gedurende 8 dagen bij ons op Brinkgreve gelogeerd, en ik zal niet behoeven te melden hoe innig leed het ons deed dat ons deze dierbare logeergasten weder zoo spoedig verlieten. Wie weet. of de goede Papa ooit weder tot ons over komen kan want ZEd. is nu reeds 72 jaar oud, wij willen echter onzen Hemelschen Vader bidden dat Hij ZEd. nog lang in het leven moge sparen. Gedurende hun logeeren hier bij ons zijn broeder Daan en Jufvrouw Koch, eene oude Gouvernante van ons, nog eens een dagje heen en terug van Arnhem bij ons komen passeren, 't geen ons allen veel genoegen verschafte.  Oom en Tante Van Meurs waren allerhartelijkst hunne dochter Betsy, met Jhr.Barchman Wuytiers gehuwd, logeerde er ook, en dien dag passeerden daar insgelijks hun zoon, mijn boezemvriend Piet van Meurs, met zijne vrouw, Keetje van den Bosch. Wij jouisseerden veel van het lieve gezelschap, het keurige dinée, en de lieve Oom herdacht met een glaasje extra fijne wijn mijn huwelijk met mijn lief Jeannetje en heette haar welkom op Hulshorst waar zij altijd met open armen ontvangen zou worden."
     Het jonge paar ging zelf uit logeren: op 26 augustus 1853: "Wij hadden met het grootste genoegen 14 dagen te Doesborgh bij Mama en Papa Tack gelogeerd, die ons in menig opzicht compleet bedierven. Heden keerden wij terug met een Arnhemsch rijtuig, 't geen van boven tot beneden vol was gepakt met goederen en menschen, daar wij zoo gelukkig waren met ons mede te nemen naar Epe onze lieve zuster Dorothée met haar man von Weiler en hun dochtertje Marietje en de meid, die van plan zijn een dag of 8 bij ons te logeeren. Wij hadden veel plaisier onderweg, dineerden

 




Blz. 107

te Apeldoorn en kwamen omstreeks 8 ure te Epe aan, waar wij alles in goede orde bevonden. Heden werd ik met vrij groote meerderheid benoemd tot Lid van den Gemeenteraad te Epe."
   In mijn bezit is een "Receptenboek", waarin Grootpapa met zijn keurige, sierlijke handschrift geschreven heeft:"Boek voor Recepten, ten geschenke ontvangen van onze lieve Tante E.M.De Jongh (van Hoijtema) op de Rotterd(amsche) kopermolen nabij Apeldoorn op den 25 November 1853, aan mijn allerliefst huisvrouwtje J.A.C.L. Weerts geborenTack, Brinkgreve te Epe den 27sten Nov.1853"
                                                                          (getekend) E.F.J.Weerts.

Alphabetisch gerangschikt zijn daarin door hem tal van recepten geschreven, beginnende met "Abrikozen-Taartjes" en eindigend met "Zwampodding", waarvoor nodig waren "een pintje melk, 6 lood boter, 6 lood suiker, 6 lood meel gestadig roerende (van het vuur) daarin gedaan, 6 doijers van eijeren goed geklopt daarin geroerd, vervolgens het wit dat tot schuim geklopt moet worden er door..." Voor hoeveel personen dit smakelijk gerecht bestemd was, is niet vermeld! Ongetwijfeld zal hij er zelf wel van gesmuld hebben!
Zoals al eerder opgemerkt, had men vroeger blijkbaar de gelegenheid voor lange tijd uit logeren te gaan. Zo wordt in Julij 1854 genoteerd: " Heden keerden wij in gezelschap van onze zuster Caroline van de Graaff, zoontje en meid naar Epe terug, die eenigen tijd bij ons zouden komen logeeren. Nadat Bramina de Vree, eene vriendin van Jeannette, een week of zes (sic) bij ons gelogeerd had, heeft Jeannette met haar de reis gedaan naar Doesborgh, ten einde eenigen tijd bij Papa Tack te logeeren. Nu ruim 8 dagen geleden was ik ook naar Doesborgh gegaan, om haar af te halen. Wij hebben zeer veel genoegen in die dagen gehad,..Gedurende mijn sejour te Doesborgh ben ik nog eens gaan koffij drinken bij onzen Neef B.J.Verstege, gepens.Kolonel, wonende op den huize Den Bosch, habij Brummen. Zijne beide zusters Annet en Catho (gehuwd met Smith) waren bij hem gelogeerd, en hij verwachtte dien avond ook nog den Minister van Oorlog Forstner van Domburg eenigen tijd bij zich. Ik werd door allen zeer hartelijk ontvangen."
Ondanks zijn drukke werkkring als dorpsburgemeester, vond Erdwin nog gelegenheid deel te nemen aan zijn geliefde bezigheid, de jacht. Op 1 sept. 1854 noteert hij: " Heden was de jagt geopend. Ik reed reeds vroegtijdig naar Gortel, ten einde in de struiken aldaar mijn geluk op de korhoenders te beproeven. 't Was smoorheet en vele jagers in het veld, waaronder neef Mr.D.van Meurs van 

 



Deelkopie van het receptenboek ontvangen van hr. Scheurleer


Blz. 108

Hulshorst met zijn jager. Deze was die dag alleen de gelukkige, daar hij drie korhoenders schoot. Ik zag den geheelen dag hoegenaamd niets, dan in de verte een hert, zoodat ik geheel platzak tehuis kwam, tot groote ergenis van Jeannette, die in haar idee reeds smulde."
   "22 September. Heden passeerden wij een allerprettigst en fideel dagje bij de lieve Oom en Tante de Jongh op de Kopermolen nabij Apeldoorn. Die beide oude lieden zijn zoo regt hartelijk jegens ons. Oom is reeds 73 en Tante 70 jaar. Jammer dat hun echt kinderloos is gebleven, dewijl thans die heerlijke buitenplaats wel in vreemde handen of , 't geen nog erger is, in sloopershanden zal vallen."
   Deze vrees was niet ongegrond. Inderdaad is het huis gesloopt, en zijn nog alleen overgebleven een bijgebouw of boerderij, en het monumentale hek aan de straatweg naar Apeldoorn.
   "27 September. Wij werden op het koffijjuurtje verrast door een bezoek van Tante Mollerus van den Zwaluwenburg nabij Elburg eene eigene zuster van Mama Tack, dus Baronesse van Eck van Overbeek. Zij kwam met haar zoon en dochtertje, de Gouvernante, en Sam van Rosenthal, die er gelogeerd was. Het deed ons razend veel genoegen, dewijl wij zoveel van deze Tante houden. Jammer dat het heden eenigszints ongelukkig trof, dewijl juist ook nog bij ons op koffijsalet waren een paar vriendinnen van mijn lief vrouwtje, namelijk de beide dames Elias,. kleindochters van den Heer Baron Sloet op Vosbergen bij Heerde, waar zij in huis zijn dewijl hunne moeder overleden, en hun vader getroubleerd is,"
    Dat het burgemeestersambt destijds zijn eigenaardige moeilijkheden kon meebrengen,  blijkt wel uit het volgende voorval:
   "'18 October 1854. Hedenavond ten 7 ure rustig bij vrouwlief zittende te werken kwam men ons berigten dat er brand was te Vaassen; onmiddellijk liet ik het rijtuig van mijn oudsten wethouder inspannen en reed er zoo spoedig mogelijk heen. Onderweg kwam mij een Bode tegemoet met het berigt dat de Koning er ook bij tegenwoordig was met een geheele Hofstoet, en vreeselijk vloekte en raasde dat de Burgemeester er niet was, hoewel men Z.Maj. genoeg onder het oog had gebragt, dat het mijne schuld niet was, dewijl men het mij zóó laat had berigt en Epe een groot uur van Vaassen gelegen is. Hoe meer ik Vaassen naderde, des te meer ik wel bemerkte dat het een erge brand moest zijn en werkelijk stonden er vier huizen in lichtelaaije vlam. Verscheidene Brandspuiten waren met alle kracht




Blz. 109

werkzaam om te blusschen, waaronder ook twee die de Koning van het Loo had laten aanrukken. Toen ik in de nabijheid van Sire was gekomen, maakte ik bij Z.Maj, eenige excuses en verontschuldigingen, dat het mij zeer speet dat ik eerst zo laat was gewaarschuwd, enz.enz. Waarop Sire mij ten aanhooren van mijne geheele Gemeente zóó schandelijk bejegende, al vloekende en razende, dat ik van plan was geweest terstond mijn ontslag als burgemeester in te dienen, doch de Leden van den Raad en eenige goede Vrienden raadden mij zulks bepaald af, mij onder het oog brengende, dat ik in deze geheele zaak volstrekt geen schuld had, terwijl een ieder het gedrag van Z.Maj. zeer afkeurde. Enfin, ik liet mij overhalen,  vooreerst mijn ontslag niet in te dienen. Ik bekreunde mij verder volstrekt niet om de tegenwoordigheid van den Koning en ging mijn eigen gang, overal zoo mogelijk de noodige voorzieningen nemende, tegen den verderen voortgang van het vuur. Ongeveer ten 9 ure reed Z.Maj. weder met zijn gevolg naar het Loo. Ten één ure was men den brand geheel meester, en ten 2 ure reed ik weder naar huis, waar vrouwtjelief in eene ijsselijke agitatie was dewijl het zóó laat was geworden. Men kan zich begrijpen hoe zij ontstelde toen ik haar de geheele geschichte met Sire verhaalde, en vooral dat Z.D.H, had gezegd "dat het mij zou bezuren!" Ik van mijn zijde was geheel gerust en van plan terstond den volgenden morgen naar het Loo te gaan, ten einde te beproeven eene particuliere audientie bij Z.Maj. te verkrijgen, om aldaar vooreerst mijn gedrag nogmaals te regtvaardigen, en ten anderen, eenige voldoening van Sire te verzoeken van het mij aangedaan onregt. Ik ging zeer gerust naar bed.
19 October. Na een verkwikkelijke rust reed ik heden morgen vroegtijdig naar het Loo, en meldde mij het eerst bij Jhr.Van Bronkhorst, Intendant van het Loo, een zeer goede kennis van Papa Weerts en zuster Lucie. Hij ontving mij zeer vriendelijk, kon echter wegens ongesteldheid mij niet behulpzaam zijn om te trachten eene particuliere audientie bij den Koning te verkrijgen. Hij raadde mij aan mij te vervoegen bij den Heer de Kock, directeur van het Kabinet des Konings, die wel zijn best zou doen mij behulpzaam te zijn. Doch de Heer Bronkhorst gaf mij niet veel moed van goed te zullen slagen dewijl Sire nimmer eene particuliere audientie op het Loo gegeven had of wilde geven. Tegen 5 ure begaf ik mij naar het paleis, zijnde dit het uur waarop de Heer de Kock te spreken was. Ik meldde mij aan en werd bij hem binnen gelaten. Ook aan hem ontvouwde ik mijne

 




Blz. 110

belangen en hij beloofde mij zijn best te zullen doen. Bemoedigd reed ik weder naar Epe terug, terwijl ik mij eerst nog wat verlustigd had in al de pracht en luister van dit koninklijke paleis, 't geen thans een schoon effect maakte, dewijl alle ramen verlicht waren. Ik gevoelde mij toen toch wel eenigsints raar om mijn hart, als ik dacht dat ik spoedig wellicht in datzelfde paleis zou geleid worden, en zulks met het doel ook al mede om aan den Koning eenige voldoening te vragen ! Met ongeduld was mijn lieve Jeannette mij wachtende en was ook zeer verheugd over den afloop tot dusverre. Van vele mijner ingezetenen mogt ik de ondubbelzinnigste blijken hunner belangstelling en toegenegenheid te mijwaarts ondervinden en zulks deedt mij veel van het onaangename geval met Sire vergeten. 20 October. Heden morgen kreeg ik per expresse een brief van den Heer Directeur des Kabinets van den Koning waarin ZEd.mij meldde, dat Sire mij.. . . " Hier eindigen de "Herinneringen" plotseling aan het einde van een bladzijde, terwijl de achterzijde daarvan onbeschreven is gebleven! Gelukkig is de originele brief van den Heer de Kock bewaard gebleven. Deze luidt aldus:

    "Het Loo, 20 Oct,1854

     WelEdelgeboren Heer!
     Zijne Majesteit zal u morgen zaturdag den 2I tegen 9 uren des morgens ontvangen.
     Ik verzoek u alzoo tegen 8 1/4 ure bij mij te willen komen, en heb de eer met hoogachting te zijn

    U WelEd, Geb. dv. dienaar
    (w.g,) de Kock."

  Volgens overleveringen in de familie heeft Erdwin bij de audientie succes geboekt, in zoverre dat de Koning hem zijn verontschuldigingen aanbood. Waarschijnlijk een zeldzaamheid in de geschiedenis van Koning Willem III ! Uiteraard heeft deze bejegening Erdwin hoog gezeten en heeft hij er met velen over gesproken o.a, met zijn oom Van Meurs uit Hulshorst. Deze reageerde hierop in zijn brief van 7 november 1854 als volgt: "Waarde Neef ! Hierbij zenden wij UEd, een paar douzijnen bokkingen, eerstelingen Harderwijks product, in de hoop dat gij die in goeden welstand met Uw geliefd Vrouwtje ontvangen en smakelijk zult nuttigen. Tot ons leedwezen waren wij op het verjaringsfeest

 




Blz. 111

van Uw Oom de Jongh op de Kopermolen in onze verwachting van UEd. dáár te ontmoeten, teleur gesteld en meer, omdat ik gaarne Uwe onaangename ontmoeting met den Koning bij de brand te Vaassen, van UEd. zelf vernomen had en UEd. reeds toen den goeden raad had gegeven UEd. boven die ongepaste bejegening, in drift, en door onbekendheid met Uwe ververwijderde woning van Vaassen, gesproken, met goeden moed te verheffen., en nu Vriendlief doet het mij nog meer leet dat wij UEd. toen op de Molen niet hebben ontmoet, daar ik tot mijn leetwezen uit de bij deze mij heden geworden missive moet opmaken, dat gij waarlijk er nog over denkt Uwe functie als Burgemeester neer te leggen.
   Ik aarzel in het minst niet UEd. die missive onder het oog te brengen, opdat UEd. daaruit gantsch ondubbelzinnig kan blijken, welk eene onbepaalde achting Uwe genoegzaam geheele Gemeente, slechts weinigen uitgezonderd, UEd. toedragen, met de hartelijke wensch van UEd. als hoofd van het plaatselijk Bestuur te behouden, in Uw geval zoude mij die verzekering alleen voldoende zijn om geen oogenblik er meer aan te denken van Uwe post te verlaten, daarbij kunt gij voor UEd. zelven toch ook de verzekering wegdragen, dat het den Koning werkelijk leet doet UEd. zoo gantsch onbillijk voor het publiek te hebben bejegend.
    Doch ook behoeft ge er niet aan te twijfelen of het weldenkend publiek, dat des Konings driften kent, of slechts kennis draagd van Uwe verre verwijderde woning van de plaats der brand, Z.M. wegens die driftige handeling hoogstens veroordeelen en UEd. allezints regtvaardigen, zooals ik UEd. ook verzekeren kan nog niemand te hebben gesproken, die er anders over denkt, doch een ieder zoude het nog ten sterkste afkeuren dat gij ook zelfs zonder eenige de minste satisfactie van Z.M.te ontvangen, Uwe functie aan zijne driften zoudet opofferen door te bedanken. Ik zoude met ieder weldenkende dat veel eer kleingeestig, dan verstandig en grootmoedig achten, en hoop dan ook weldra van UEd. te vernemen dat gij tot die ongeraden stap niet zult besluiten, dat Uwen waardigen Vader toch ook zeker zoude afkeuren en diep bedroeven.
      Ik zal ZEd. morgen ook bokkingen zenden en mijn gevoelen omtrent Uwen gen. omstandigheid mededeelen....
     Willem I heeft ook mij ten aanhore der geheele vergadering in de antichambre op het Loo eens zoo geducht driftig toegespreken, dat het ieders aandacht trok wie dáár zoo hevig werd geveegd, doch ik hield vol tegen hem en schroomde zelfs niet, even als

 




Blz. 112

Ued. zijn kleinzoon hebt gedaan, bescheiden tegen te spreken. Een ander had in mijne plaats op die bejegening er ook wel over gedacht Z.M. de gegeven functie van Burgemeester terug te geven, doch ik vond dat een kleingeestig bukken en had daarvan de beste satisfactie. Die zult gij er ook van wegdragen door te blijven fungeeren."
    Deze goede raad heeft Erdwin gelukkig opgevolgd: hij is tot aan zijn dood toe burgemeester van Epe gebleven.
Ongetwijfeld stond hij bij de bevolking in hoog aanzien. Bij zijn 10 jarig ambtsjubileum werd hem een kristallen bokaal op zilveren voet en met zilveren versieringen aangeboden, welke thans in mijn bezit is. Op de ene zijde is het wapen van Epe gegraveerd, op de andere zijde:
   Hulde van den Raad der Gemeente Epe aan den Heer Mr.E.F.J.Weerts
   bij gelegenheid zijner herbenoeming tot Burgemeester van Epe
                         Januari 1863.

Van de latere jaren zijn niet veel brieven bewaard gebleven. De enkele nog aanwezige zijn trouwens weinig belangwekkend en handelen in hoofdzaak over geboorte en groei van de kinderen. In de loop dier jaren is Brinkgreve ook van een bovenverdieping met klokketorentje voorzien, en vormde zó het fraaie buiten zoals ik dat vóór en zelfs nog na de tweede wereldoorlog gekend heb. Na het overlijden van mijn grootvader, waarover hieronder nader vermeld, werd het verkocht en bewoond door de schilder Ten Kate, later nog door anderen. Een dier latere bewoners veranderde de naam in het onbenullige "Rozenhof". Het werd later gebruikt als rusthuis, daarna hotel, en ten slotte enkele jaren geleden geheel afgebroken om plaats te maken voor een gigantisch flatgebouw, een verzorgingshuis voor bejaarden, genaamd "Rozenhof" Sic transit gloria mundi....
In het gemeentehuis te Epe hangt nog een geschilderd portret van Burgemeester Weerts, waarvan een fotokopie in mijn bezit is.
   Helaas heeft hij geen hoge ouderdom mogen bereiken: hij overleed te zijnen huize 14 maart 1889. Volgens het Familieboek werd hij met veel plechtigheid en onder buitengewone deelneming de 16 maart d.a.v. begraven. Door de gemeentenaren werd later op het graf een kelder gemetseld met een gedenksteen daarop. Voorts werden twee portretten vervaardigd, waarvan een werd geschonken aan zijn weduwe, en het andere opgehangen in de raadzaal van het gemeentehuis (zijnde het hiervoor bedoelde). Het graf met gedenksteen, met gedenkplaat en enkele zwerfkeien is nog op de (oude)

 




Blz. 113

begraafplaats te Epe aanwezig, en wordt nog door mij onderhouden. (1)
    Financiëel is het Erdwin niet voor den wind gegaan. Zoals al uit het vorige bleek, heeft hij al in zijn studententijd wat al te royaal geleefd, en kennelijk kon hij zich later daaraan niet meer ontwennen. Het was dan ook een wijze daad van zijn schoonouders om hem met huwelijksvoorwaarden te laten trouwen: op 2 februari 1853, dus daags voor het huwelijk compareerden hij en Mejuffrouw Tack voor Notaris Ketjen te Doesburg, waarbij zij verklaarden te zullen trouwen in gemeenschap van inboedel en van winst en verlies, bij diezelfde akte vermaakte hij aan zijn echtgenote in eigendom zijn aandeel in de inboedel, alsmede het vruchtgebruik zijner overige nalatenschap. Uit de successie-aangifte blijkt dat er van privé-vermogen geen sprake meer was. De gemeenschap bestond uit inboedel ter geschatte waarde van f 5.702,-, en verder voornamelijk uit onroerende goederen, kadastraal bekend als Gemeente Epe en Oene, tezamen groot 153 hectare 69 are en 54 centiare, een erfpachtsperceeltje groot 69 are 10 centiare, een perceel heide onder Apeldoorn, groot 2 hectare 84 are 70 centiare, en voorts heide, bos, hakhout en weg onder Vaassen, groot 41 hectare 28 are 50 centiare. Dit alles omvatte dus ook het landgoed Brinkgreve, en had dus een totale oppervlakte van ongeveer 200 hectare. Voorwaar niet gering, maar de waarde was daarvan niet evenredig. Volgens de successieaangifte bedroeg deze totaal slechts f 26.497,- Het verdere bezit bestond uit effecten van geringe waarde, waaronder opvallend veel loten van allerlei soort. Reeds vroeger bleek dat zijn hoop gevestigd was op een flinke prijs uit de loterij, zoals indertijd zijn vader was ten deel gevallen, maar dat geluk was blijkbaar niet voor hem weggelegd. Daar Brinkgreve met hypotheek was belast en er verder nog talrijke andere leenschulden waren, was het geen wonder dat de gemeenschap gezien de lage schatting van de onroerende goederen een nadelig saldo opleverde, zodat zijn weduwe er afstand van deed. Het was dus maar goed dat zij indertijd huwelijksvoorwaarden maakte. Haar ouders, die in 1879 en 1883 overleden, waren beiden gefortuneerd.
     Mevrouw Weerts - Tack vestigde zich na het overlijden van haar echtgenoot met haar jongste dochter, mijn moeder, te Nijmegen, waar zij, na een jarenlange ziekte in het Wilhelmina Ziekenhuis stierf op 19 februari 1916, en op het Protestantsche Kerkhof te Nijmegen werd begraven.
   Uit het huwelijk Weerts - Tack zijn de volgende zes kinderen

1) De vermelding dat het graf van burgemeester Weerts te Epe door mij wordt onderhouden is onjuist: dit voortdurende onderhoud heeft de Gemeente voor haar rekening genomen


Blz. 114


1. Coenraad Alexander Weerts, geboren te Epe 8 december 1854, overleden te Hilversum 9 juli 1887. Hij huwde te Epe 5 augustus 1880 Pauline Johanna Roelants geboren te Schiedam 12 oktober 1857, overleden te 's Gravenhage 22 juni 1937, dochter van Hendrik Willem Roelants en Cornelia Johanna Goetzee,
    Uit dit huwelijk is nog een dochter met nakomelingen in leven.
2. Françoise Caroline Madelon Weerts, geboren te Epe 27 april 1856, overleden te Düsseldorf 23 januari 1931. Zij huwde te Epe 22 april 1881 Mr.Jan Meesters, burgemeester van Steenwijk, lid van de 2e kamer der Staten-generaal, geboren aldaar 2 september 1859, overleden aldaar 5 februari 1904, zoon van Jan Rudolf Meesters en Helena Henriette Meesters.
     Uit dit huwelijk is een kleindochter in leven.
3. Erdwin Frederik Johannes Weerts, geboren te Epe 27 juli 1858, overleden te Kaapstad mei 1915, hij huwde te Kaapstad 12 november 1886 Ellen Brennan, geboren te Coolcullen, Ierland, 22 april 1858. Zij overleed .....
     Uit dit huwelijk zijn in Zuid-Afrika mannelijke nakomelingen, naamdragers in leven.
4. Anna Maria Lucia Weerts, geboren te Epe 23 januari 1864, overleden te Velp, Gelderland, 20 oktober 1959, zij huwde te Nijmegen 15 oktober 1897 Frederik Cornelis Johannes Scheurleer, geboren te Dieren 15 februari 1860, overleden te Amsterdam 1 april 1927.
     Uit dit huwelijk zijn twee zoons in leven.
5. Jeannette Albertine Catharina Louise Weerts geboren te Epe 9 juni 1866, overleden aldaar 8 april 1867, en
6. Arnold Jacob Frans Weerts, geboren te Epe 19 november 1869, overleden te Kaapstad, Pinelands, 23 september 1955. Hij huwde aldaar 8 juli 1895 Camilla Toni Dittmann, geboren te Friedland, Silezie, 11 juni 1872, dochter van George en Ida von Horstig. Zij overleed.......
    Uit dit huwelijk zijn in Zuid-Afrika nakomelingen in leven.

Het 8e en laatste kind van het echtpaar Weerts - de Jongh was Zwanida Johanna Dorothea Emilia Weerts, geboren op den huize Marienberg bij Arnhem 30 oktober 1823, overleden te Arnhem 29 juni 1907. Zoals hiervoor vermeld huwde zij te Arnhem 9 september 1848 met Jonkheer Arnold Carl von Weiler, geboren te Zevenaar

 




Blz. 115

23 februari 1819, toen controleur bij 's Rijks belastingen, overleden te Arnhem 26 december 1891, zoon van Jonkheer Jacob Lambert Wilhelm Carl von Weiler en Wilhelmine Henriette Haesbaert.
     Bij de geboorte schreef vader Coenraad Alexander Weerts in zijn familiebijbel "den 30 October 1823 des nachts ten half één ure wierd ons door Gods goedheid eene dochter geboren en alzoo ons achtste kind, welke den 30 Nov. 1823 door Dominée Donker Curtius bij den Heiligen doop, den Naam ontving van Zwanida Johanna Theodora Emilia, na mijne vier zusters, van welke zuster Jo.M. Wentholt zij ten doop wierd gehouden en is mede door doctor de Ruuk de koepok ingeënt. Des Hemels beste zegen ruste op haar in leven en sterven." Dit schreef haar broeder Erdwin aan haar in zijn brief van 28 oktober 1850 ter gelegenheid van haar 27en verjaardag. Deze familiebijbel is, naar ik meen, thans nog in het bezit van nakomelingen in Zuid-Afrika.
    Omtrent haar jeugd is niet veel bekend. In het Journaal van haar oudste zuster Lucie komt de volgende aantekening voor: "De 13 Augustus 1836 hebben Papa en ik Dorothée naar IJsselstein gebracht, waar zij bij juffrouw Swaan school is gaan leggen." Enige jaren later noteert zij "30 Mei 1839 zijn Dorothea en ik op den Kopermolen gaan logeeren en 14 dagen gebleven."
   In augustus 1844 maakte zij met haar vader en broeder Erdwin de reeds vermelde reis van twee maanden door Duitsland. "13 April 1846, schrijft Lucie, hadden wij een groote schrik, dewijl mijn lieve zuster Dorothea op het onverwachts een flauwte kreeg, die 3 uur duurde, men bragt haar met moeite bij daar zij geheel bewusteloos was. Nadat zij geheel hersteld was, zijn wij de feesten te Utrecht gaan bijwonen" Dit is hier reeds eerder vermeld (blz.64)
   In het Dagboek komt op Dinsdag 25 januarij 1848 de volgende passage voor: "'t Was heden avond het 2e Casino. Daan en Dorothea begaven zich er heen doch Arnold en ik bleven te huis, als beiden volstrekt geen zin hebbende om rond te huppelen. Daan en Dorothea amuseerden zich perfect. Vooral Thea, zij is nog zoo jolig en danslustig, nu zij is er ook nog in de geschildste leeftijd voor. Op dergelijke feesten, geloof ik, dat de meeste huwelijkskeetens gesmeed worden, welke op zulk eenen avond uit louter gouden schakels schijnt te bestaan doch die helaas! soms maar al te spoedig blijken niet dan verguld en van echt ijzer te zijn! Onze jongste zuster, namelijk"ons nestelduksken", gelijk de goede oude Hanna altijd zeide, werd heden avond ten huwelijk gevraagd door Jhr.A.von Weiler van Zevenaar, thans ontvanger op het dorp Reeck

 




Blz. 116

nabij Grave. In Elburg heb ik nog eenige jaren met hem school gelegen. 't geen mij nog van hem bij bleef, was hij eenigsints koppig geaard, doch overigens een zeer goede jongen. Doch in 12 jaren tijds kan iemand zoozeer of tot zijn voordeel, doch tevens in zijn nadeel veranderen, dat ik nu mijne opinie over hem niet kan noch mag uitbrengen. Ik heb hem gedurende dat 12 jarige tijdsverloop namelijk nimmer meer gesproken. Ook Dorothée kende hem te weinig, om nu reeds eenige hoop te geven. Zij heeft hem dit dan te kennen gegeven, zoodat ik nu nieuwsgierig ben welken weg hij zal inslaan. Wanneer zijne nadere kennismaking meevalt en Dorothée wezenlijk groot penchent tot hem gevoelt, is het voorzeker geen slechte partij. Hij is van eene goede adelijke familie, heeft zelf eenig fortuin, en een vrij goeden ontvangerspost, met het vooruitzigt van spoedig verplaatst te worden, als zijnde een neef van den Minister van Rappard. Doch wij raden ons nestelduksken natuurlijk aan, zich eerst fameus goed te bedenken vóór zij de gevaarlijke, soms hartverscheurende sprong door de ton doet, waar zij dan gelukkig ook volkomen gehoor aan geeft. Want zij is waard eenen braven man te krijgen die haar volkomen kan en ook zal apprecieren. Dat alles tot haar geluk moge afloopen !!! "
      Deze roman kunnen wij, dank zij het Dagboek, op de voet volgen:
     "Zaturdag 29. Ik zat heden avond juist te schilderen, toen Dorothée in eens uitriep: " 0 ! Grut ! daar is hij ! en ja al zijn levensdagen, daar kwam Weiler aanstappen. Gelukkig dat Papa thuis was. Hij vroeg naar ZEd. Dorothée en ik gingen zoo langen tijd naar boven. Hij beviel Papa zeer goed, en had verzocht tegen 1/2 2 nog eens te mogen aankomen, ten einde Dorothée een bezoek te komen brengen, 't geen hem natuurlijk werd toegestaan. Papa ontving hem ook nog ! doch ging daarna weder in zijn kantoor, de beide jongeluitjes bij elkander latende. Ik was gedurende dien samenspraak naar stad gegaan...Toen ik weder te huis arriveerde was Weiler reeds lang weg, opgejaagd door de familie Binkenbank, die zeer ten onpas aan kwamen zetten. 't Is nu zoo verre gekomen dat ons nestelduksken, hoewel nog geenszins publiek geëngageerd, toch nader met hem in kennis zal komen. Zij was er over uit, zooveel hij haar nog nader meeviel, hij was openhartig en confidentieel, en zou den volgenden Zondag nog weder eens in Arnhem komen. Wij hebben aan tafel een glaasje op Thea gedronken en zij klonk ferm mede. Welnu, God geve, dat het haar tot geluk moge verstrekken, want waarlijk zij verdient het, en Weiler krijgt een schat aan haar, zij is vroolijk en gezellig, een perfect

 




Blz. 117

 huishoudstertje niet al te overdadig, doch ook in geenen deele al te spaarzaam, heeft verscheidene talenten, in één woord, ik zal ten hoogste verheugd zijn, indien ik ook eens zulk een meisje 't mijne mag noemen, ach, dat het spoedig gebeure!
      Zondag 6 Februarij. Dorothée dronk heden bij Ko en de Haan koffij, alwaar insgelijks Weiler zou komen en blijven eten, die dan 's middags op Marienberg zou komen theedrinken en den avond blijven passeeren, eene lieve attentie van Ko en de Haan, zoodat Weiler nu nog niet zoo dikwijls hier aan huis behoeft te komen, om nader met Thea in kennis te komen, waardoor anders de dienstboden spoedig iets zouden merken, en het door dat orgaan al te schielijk door de geheele stad zou verbreid zijn. Doch helaas! tot groote spijt van allen, voornamelijk van de meest geinteresseerde, kwam Weiler niet, en wel dewijl door de sterke dooi, die gedurende eenige dagen aanhoudend had aangehouden, de rivieren van hunnen winterboei ontslagen raakten en met groot geweld hunne ijsmassa's naar de Noordzee voortstuwden. Te Nijmegen vooral moet het erg zijn, er is dan ook volstrekt niets kunnen komen. Dergelijke force majeure moest het dan ook wel zijn die eenen, door Amor's pijlen getroffene, kon verhinderen tot zijne aangebedene over te ijlen. Ik wensch dat hem dan volgenden Zondag geen Physische hinderpalen meer in den weg zullen staan!
    Zaturdag 12. Geheel onverwacht kregen wij hedenavond bezoek van Weiler, die 't maar gewaagd had over 3 rivieren te komen. 't Was de eerste keer na 12 jaren dat ik hem weder eens sprak "ons draaiden boven 't hoofd reeds meer dan 12 zonnen"....Ik sprak nog veel met Weiler over onze Elburgsche wederwaardigheden Ik vind hem weinig of niet sedert dien tijd veranderd. Hij bleef tot  1/2 10 hier en zou morgen middag terug komen,.
    Zondag 13. Oom Van der Aa, die sints een dag of 14 geheel alleen op den Hemelschen berg geweest is, dineerde heden middag hier, alsook Annet. Oom was heden weinig distrait en bijzonder goed te spreken.
   Tegen 1/2 7 kwam Weiler weder. Hij was zeer spraakzaam, en ieder werd meer en meer met hem ingenomen Ik gevoel mij dan ook zeer vrij en opgeruimd in zijne tegenwoordigheid, en hoop dat, wanneer 't engagement doorgaat, wij eenen goeden schoonbroeder aan hem zullen hebben. Hij bevalt Annet ook zeer. 't Was heden de eerste keer dat ze hem ooit zag, en hij bragt haar dezen avond ten 10 ure naar huis. Oom, Weiler, Daan en ik maakten een partijtje, waarbij

 




Blz. 118

wij heel veel genoegen hadden. Wij lachten soms tot tranen toe over Oom, die niet zeer goed tegen verliezen kan, en den geheelen avond door meest slechte kaarten kreeg, en was 't soms vrij goed, dan toch maar verloor. 't Was gelukkig dat hij om ons lagchen niet kwaad werd, bij zich zelven tehuis kan hij 't wel eens minder goed opnemen. "
     Donderdag 17. Papa had voor eenige dagen aan Schepper verzocht, of hij de goedheid wilde hebben, om eens nadere informatien omtrent Weiler te nemen. Aan niemand was 't beter gedemandeerd dan aan hem, die van onze naaste familie altijd bijzonder hartelijk is geweest. Dezen morgen kwam dan ook onze lieve nicht Ursule Schepper, daar hij zelf de regtbank moest praesideren ons berigt daaromtrent geven, en feliciteerde Papa en Dorothée hartelijk, daar zij niets anders dan zeer veel goeds van hem door de fam. Van Rappard had gehoord. 't Zou dan den volgenden Zondag gedecideerd worden, doch Thea vond 't beter een 8 dagen uit te stellen (hoewel haar 't hart ging) daar 't hier aanstaanden Zondag zoo druk zou zijn met de Deventersche familie.  Zij schreef Weiler daarom heden nog een brief.
   Zondag 27. Ten 12 ure kwam Weiler tot groote verheuging van Dorothée, zij begon wezenlijk eenigsints ongerust te worden. Uit discretie gingen wij langzamerhand allen even in 't kantoor, daar 't voor Dorothée in 't geheel niet aangenaam was om zulk een decisieve stap voor 't geheele leven te doen, als zij door zoo velen geëntoureerd was. Na een half uurtje kwamen wij weder binnen en nu was er als door een tooverslag een verloofd paar voor onze oogen, en dat door het enkele woordje "ja" ! Papa en wij allen feliciteerden nu beiden hartelijk, en wij vertrouwen dat hij in staat zal zijn Dorothée regt gelukkig te maken. Hij bevalt ons meer en meer.  Lucie die hem voor 't eerst nu eens sprak was ook uiterst met hem ingenomen.
  Mietje en de Veije, die zoo even onverwacht uit Utrecht was gearriveerd, Annet en de Kolonel de Veije aten ook hier. Met een glaasje champagne werd dit Engagement beklonken en Dorothée en Weiler namen het beiden zeer gracieus aan. Wij amuseerden ons perfect vooral 's avonds toen wij een allegaartje speelden eerst met 't kansbiljettenspel en daarna een potje commerce, de kolonel, die tusschen Lucie en Annet was in komen zitten werkte zoo nu en dan nog al eens op onze lagchspieren. De berigten, die Arnold ons uit Parijs mee bragt, waren ontzettend..."

 




Blz. 119

Hierna volgt het verhaal van de Franse revolutie, zoals dat hiervoor al is overgenomen.
      "Maandag 28. Heden hebben Dorothée en Weiler vergezeld door Papa hunne visites aan de familie gebragt. Bij de Ranzow's troffen zij niet te huis, doch andere overal. Des avonds ten 8 ure vertrok Weiler weder, daar hij morgenochtend weder in Reeck moest zijn. Als hij eenigsints kon, kwam hij Zaterdag weder op de vleugelen der liefde naar Marienberg vliegen."
      Hierna werd de aandacht dermate bezig gehouden door de rampzalige gevolgen van de Franse revolutie dat er maar weinig nieuws over het engagement werd vermeld.
     "17 Maart 1848 zijn Dorothée, Annet, Weiler en ik naar den huize Poelwijk geweest, 't geen digt bij Zevenaar ligt en bewoond wordt door de Moeder en de familie van onzen Weiler. Ten 12 ure arriveerden wij, en werden allerhartelijkst ontvangen, Karel, ook nog een oude schoolkennis, administreert de goederen voor zijn andere broers en zusters, een gedeelte der vruchtbare landen hebben zij zelf onder den ploeg, een ander gedeelte als halfbouw verpacht. Hij is nu kortelings ook geëngageerd met eene jufvrouw Van Eck, dochter van den Notaris. Wij amuseerden ons den dag perfect:. 't is er eenvoudig en nog eenigsints aardsvaderlijk, men doet er veel aan de jagt, die over uitgestrekte goederen loopt, zijnde 't nog een soort van Heerlijkheid. Arnold Weiler heeft weder eene promotie gedaan, hij is namelijk Controleur geworden te Oud-Beijerland, nabij Dordrecht. Met Mei moet hij er denkelijk heen.
     Maandag 12 Junij. Heden den 2en Pinksterdag hadden wij het genoegen de fam. Weiler hier den ganschen dag te hebben. Mevrouw, Emilie en Antoinette. Karel en Marie van Eck kwamen niet mede, doch passeerden den dag bij de familie Van Eck. De familie beviel ons nu ook weer allerbest. Met mijne vroegere gedachten omtrent Emilie stemde ik ook nu nog volkomen in, en Antoinette is een aardig naief meisje eene wilde bras, doch hare manieren laten nog wel wat te wenschen over,  zij is echter nog jong genoeg om de indruksels te ontvangen van de zachte manieren harer lieve zuster Emilie....Ik heb nogal met Emilie gesproken, ik geloof dat zij zeer eenvoudig, vrolijk en verstandig is, geene kleine deugden, die in een huisvrouwtje met geen goud te ruilen zijn. Zij houdt ook ontzaggelijk veel van bloemen en juist ook zeer van mijne geliefkoosde soorten, cactussen namelijk en aloë,etc. Ik wensch vurig naar de gelegenheid haar nader te leeren kennen.

 




Blz. 120

Hoewel ik helaas! heb meenen merken, niet aan hare woorden, dit zou toch al te vermetel van mij zijn geweest, ja ongepast om over dergelitjke zaken te spreken, doch aan sommige harer gedragingen dat de daguerrotype niet alleen in staat is de beeltenissen van levende wezens duidelijk af te drukken. Ik zoude mij al zeer moeten vergissen. Mijne 26-jarige waarnemingen en proeven, zouden hier een schriklijker (doch niet onwelkomen) schok krijgen, zoo deze mijne veronderstelling niet gegrond ware.
     Woensdag 5 Julij. Dezen middag ten 4 ure ging ik Dorothée van Poelwijk afhalen. Ten 6 ure kwam ik er zoowat aan, vond Dorothée springlevend en zeer opgeruimd onder al die vroolijke huisgenooten. Wij dronken eerst thee en musiceerden toen wat. De lieve Emilie zong allerliefst, en betooverde mij door eene dweepachtige melancholie in haren zang. Ach! kon ik haar meer hooren, ik mag zoo gaarne in zulk eene stemming zijn. Ik schep mij dan allerlei aangenomen idealen, doch die helaas! misschien nimmer voor mij verwezenlijkt zullen worden.... De middag was omgevlogen, en 't was over 9 reeds toen wij afreden. Eerst moest er echter nog champagne gehaald worden. waarmede wij elkaar 't beste toewenschten. Ik moest Emilie zeer in hare vlugge gedienstige bestiering der huishoudelijke zaken bewonderen. Wien zij eens gelukkig maakt, die krijgt een onwaardeerbare schat aan haar !! 't Was reeds bij 12 ure toen wij tehuis kwamen, zoodat Oom Van Meurs, die sints Maandag hier bij ons logeert bij gelegenheid der Statenvergadering,  reeds met de blaker in de hand gereed stond om naar bed te gaan. Wij nuttigden spoedig nog iets en trokken toen ook naar boven.
     Donderdag 24 Augustus. Hedenmorgen had dan de aanteekening plaats van onze geliefde zuster Dorothée met haren hartvriend Von Weiler..... Wij feliciteerden het bruidspaar voorloopig, 't geen vooral dezen avond werd gedaan, op 't soupertje 't geen wij ter gelegenheid der verjaring van Mietje bij de Veije hadden. Annet was er ook en ten 12 ure keerden wij zeer voldaan naar huis terug.
     Vrijdag 25. Ten zes ure liet ik. mij dezen morgen wekken ten einde met den Tuinbaas hier en daar wat groen te maken, doch alleen maar in de vestibule en eenige oranjeboomen vóór 't huis en in den gang. De meiden hadden een paar armstoelen keurig groen gemaakt, en de baas boodt bruid en bruidegom ten 12 ure een paar beeldige bouquetjes aan.  't Stormde heden en dezer dagen cadeaux, de een al mooijer als de ander, onder anderen, een

 




Blz. 121

beeldige pendule van Papa, overheerlijke porceleinen vasen van de Schneithers, Walree's, Van Doorn 's en Eveline, regtstreeks uit Parijs, 12 paar zilveren lepels en vorken van ons broeders en zusters enfin te veel om op te noemen.... Mietje, de Veije, Daan Meurs en Annet vierden den dag heden bij ons, en onder een glaasje Champagne, werden Dorothée en Weiler hartelijke woorden toegebragt. Ja 't is onze zielewensch dat ' t dit lieve kind wel ga, en wij twijfelen er ook geenszins aan met eenen man als Weiler!...Jufvr. Koch, Keetje en Piet van Meurs, en Lucie van Heemskerck waren ook geënviteerd, doch konden om verschillende redenen niet mede van de partij zijn.  En bij nader inzien ook maar wat gelukkig, want ziet, Lucie had ons wel een lekker dinertje bezorgd, doch daar wilde ik een heerlijke gebraden ham open snijden, toen mij terstond een bijzonder rare lucht in de neus stoof en wel een fameuse adelijke reuk, die zoo erg was, dat wij met algemeene stemmen die adelijke ham voor onbruikbaar declareerden, hoewel hij zelfs nog wel hoog adelijk was. Nu was goede raad duur voor de huisvrouw, daar een ham meer of minder voor zulk een tafel nog al wat zeggen wilde. Doch 't was alsof wij in een tooverpaleis uit de duizend en een nacht waren want eensklaps verscheen er een schotel voor ons met schapencoteletjes en uijen, die hoewel 't nu juist wel geen poetisch maal was, 't geen bij een trouwpaleis hoorde, ons allen echter overheerlijk smaakte.
    Zaterdag 26. Den morgen ten 10 ure gingen wij met een tentwagen vol menschen uit, En den dag op Poelwijk bij de familie Von Weiler te gaan doorbrengen. De beide dames Van Eck, Marie en Antoinette, de belles van Karel en Eduard Weiler, en Annet Verstege reden met ons mede. Toen wij Westervoort passeerden, kruisten onze gedachten elkander stellig, en allen hadden er een veel minder idee van gehad.  Wij werden allervriendelijkst door de familie ontvangen en amuseerden ons vrij wel, doch moesten vroeg afrijden dewijl Papa niet gaarne in den donker rijdt. Emilie, Karel en Eduard reden met ons mede naar Arnhem, de eerste om bij ons te blijven logeeren. De wagen was zoo vol dat ik voor op den bok moest gaan zitten, en tamelijk nat werd daar 't familiaar vrij hard begon te regenen. Behouden kwamen wij te huis aan, alwaar weder een menigte cadeaux op Bruid en Bruidegom stonden te wachten."
   Hier eindigt helaas het dagboek, zodat wij verder zijn aangewezen op het Journaal van zuster Lucie en diverse brieven van Erdwin. Vermoedelijk is de drukte in verband met de bruidsdagen er de oorzaak van dat het bijhouden van het Dagboek er bij in is geschoten.

 




Blz. 122

   Het bruidspaar maakte huwelijksvoorwaarden bij akte de 31 augustus 1848 verleden voor Notaris Mr. Gerard van Eck te Arnhem, waarbij ze bedongen gemeenschap van vruchten en inkomsten.
   In het Journaal noteert Lucie: "9 September 1848 is het huwelijk van Dorothea met Arnold von Weiler voltrokken door Wethouder Nedermeyer van Rosenthal. Mij gaat het vertrek mijner jongste zuster zeer ter harte. Sedert haar 6e jaar is zij onder mijne zorg en toezigt geweest en heb ik mij dus met hart en ziel aan hare opvoeding en opleiding toegewijd."
  Op 4 januari 1850 schreef Erdwin aan zijn zuster en zwager: "Dezen morgen de Ned. Staatscourant in handen krijgende, werden mijne oogen als door een toovermagt naar de de kolom bovenaan getrokken, waar ik las van verplaatsingen van Controleurs, half bang en toch half verlangend was ik er Uw naam ook bij te zullen vinden, en ja daar zag ik Jhr.C.A.von Weiler van Oud Beijerland naar Middelburg. Och Hemel!, dacht ik, hoe groot de promotie ook moge zijn, daar gaan ze ons al weer verder van elkaar trekken. Wij zagen ons toch reeds zoo weinig in één jaar, nu zal het denkelijk nog wel minder zijn, doch lieve Broer en Zus ! die treurige gedachte verdween, zooal niet geheel en al, toch voor een groot gedeelte, bij de gedachte 't is toch een dekselsche groote promotie en zeker ook wel in 't geldelijke. Vervolgens dacht ik Weiler schijnt eine ganz fameuse und pompose protectie in den Haag te hebben, die zal dan ook wel maken, als het over een paar jaartjes in Middelburg eens niet mogt bevallen, dat Mijnheer en Mevrouw Von Weiler weder in Gelderland, in Arnhem b.v., ja zelfs later nog wel eens in den Haag, als controleur en controleuse resideren. ... Wat zullen ze op Poelwijk ook blijde zijn met Uwe bevordering. Zoover ik weet zijn ze alle wel, Emilie moet voor eenigen tijd naar Terborg zijn logeeren. Als het weder eenigsints goed is, ga ik er denkelijk Zondag eens heen....In een geval wilde ik ontzaglijk graag een Prins zijn dat men namelijk over zijne hand en hart beschikt en hem eene Echtgenoote toeduwt, dan zoude ik U deze taak eens voor mij opdragen, zeker als ik was, dat ik dan geene Xanthippe, maar misschien Marie Rappard tot vrouwtje kreeg, 't geen zij zoo zeer prijst."
Eindelijk is 't dan zo ver dat Lucie in haar Journaal schrijft: "Dorothea en Weiler zijn den 2 Maart 1850 naar Middelburg vertrokken, zij gingen met hun geheelen inboedel op een beurtschip, troffen tegenwind, zoodat zij 3 dagen op reis waren en Dorothea veel last had van zeeziekte."

 




Blz. 123

Hierop sluit aan een brief van haar Vader, een der weinige die van hem bewaard zijn gebleven, van 29 maart 1850, waarin hij schrijft:" Regt aangenaam was mij den Uwen van den 15 dezer, rijkhalzende zagen wij dagelijks na dezelve om, ten einde van Uwl. goede overkomst geïnformeerd te worden, want ik ging Uwl. met mijn gedagten na op die Zeeuwsche Stroomen, en begreep wel met die ongunstige wind dat gijl. moest laveeren, hetwelk eene onaangename gewaarwording geeft vooral wanneer het schip overstag gaat. Ik kan mij verbeelden hoe ongunstig gijl. die drie dagen en drie nachten geweest zijt, en nu kunt gijl. U de positie van Jonas voorstellen. Heete uwen beurdman ook bjjgeval de Walvisch ? Intusschen verheugd het mij te vernemen dat alles zoo goed is en na Uwl. zin, except met de meid, is afgeloopen en gijl. thans rustig in Uw huis zit, hetwelk volgens Uwe beschrijving zeer doelmatig moet zijn, maar komt het u niet vreemd voor voor het eerst in eene stad te woonen ?..."
    Uit de volgende brieven zijn eigenlijk geen bijzonderheden meer te putten, zodat volstaan kan worden met de vermelding van de uit het huwelijk Von Weiler - Weerts geboren kinderen, zijnde:
1, Jkvr. Marie Alexandrine von Weiler, geboren te Middelburg 16 augustus 1850, overleden te Zutphen. Verdronken in de IJssel 13 juli 1879, ongehuwd.
2, Jhr. Carel  Willem von Weiler, geboren te Middelburg 5 september 1852, overleden aldaar 21 december 1852.
3. Jhr. Theodoor Arnold von Weiler, geboren te Middelburg 20 januari 1855, overleden te Arnhem 6 maart 1856,
4. Jhr, Lucien Marie von Weiler, geboren te Arnhem 3 maart 1857, overleden te Utrecht 18 augustus 1934. Hij was civiel-ingenieur en als zodanig werkzaam bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, standplaats Venlo. Hij huwde te Arnhem 10 augustus 1899 met Catharina Johanna Wurfbein, geboren aldaar 15 mei 1867, dochter van Marinus Carel en Henriette Marie Weetjen. Zij overleed te Huis ter Heide 5 augustus 1916.
    Uit dit huwelijk zijn kleinkinderen in leven.
5. Jhr. Willem Karel von Weiler, geboren te Arnhem 14 oktober 1860, overleden te Wassenaar 24 februari 1946. Hij was inspecteur ' der directe belastingen, laatstelijk te Zutphen, en huwde aldaar 15 maart 1888 Jkvr. Jacoba Maria Krayenhoff, geboren te Den Helder 15 januari 1864, dochter van Jhr. Theodorus Johan en Maria Justina Dorothee Kolff, zij overleed te Wassenaar 17 januari 1955.

 




Blz. 124

     Uit dit huwelijk zijn kinderen en kleinkinderen in leven.
6. Jkvr. Johanna Louise von Weiler, geboren te Arnhem 5 februari 1862, overleden te Potsdam 29 augustus 1948. Zij huwde te Arnhem 8 oktober 1891 met Georg Theodor Adolf Geise, Hauptmann der Infanterie in Duitse dienst, geboren te Hildesheim 10 maart 1854, overleden te Hannover 6 april 1927.
    Mij is niet bekend of nog nakomelingen in leven zijn.
7. Jkvr.Dorothea Arnoldine von Weiler, geboren te Arnhem 17 december 1864. Zij huwde te Arnhem 2 juli 1914 met Jhr.Marinus Albert van Andringa de Kempener geboren te St.Anna Parochie 5 september 1849, lid van de firma Van Heeckeren & Van Pelt, wijnkopers te Arnhem, zoon van Jhr. Tjaard Anne Marinus Albert van Andringa de Kempenaer en Amelia Gerardina de Schepper, en weduwnaar van Louise Cornelia Sara Petronella Hanrath. Hij overleed te Arnhem 27 november 1914,  zij te Amsterdam 14 februari 1956.
Dit huwelijk is kinderloos gebleven. En
8. Jhr.Eduard Godfried Coenraad von Weiler, geboren te Arnhem16 juni1867, overleden aldaar 28 juni 1869.

 

 

 

 

 

 

 




Naar Index

<<< Terug <<<

hdebie45.deds.nl/Genea